Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.4.3.1
8.4.3.1 Discussie over voor- en nadelen van bewijsuitsluiting in de VS
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616723:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Calabresi 2003, p. 111.
Zie Kamisar 1983, p. 581-589.
Zie daarover Kuiper 2010, par. 2.4.1.
Zie voor een overzicht Slobogin 1999, p. 423-441.
Kamisar 1983, p. 655.
Stewart 1983, p. 1392.
Kerr 2011, p. 1080. Steiker 1996, p. 2468-2489.
Kamisar 2003, p. 133.
Kamisar 2003, p. 132-133. Zie ook par. 4.2.4.1.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106.
Kamisar 1983, p. 658.
Zie Grant 1991, p. 186, met verdere verwijzingen.
Zie Whitebread & Slobogin 2008, p. 50 en zie nader voor wel bekende cijfers Slobogin 1999, p. 364-392.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106.
Kamisar 1983, p. 658.
‘As a device for directly deterring burglaries a rule that burglars only had to give up their ill-gotten gains on those occasions when they were caught would be a failure, too’, aldus Kamisar 1983, p. 659.
Zie voor een aantal overtuigende voorbeelden Kamisar 1983, p. 660-661 en Kamisar 2003, p. 126.
Kamisar 1983, p. 666.
Zie Kamisar 2003, p. 123-125 en vgl. Stuntz 1997, p. 448.
Stuntz 1997, p. 450-454, zie ook Slobogin 1999, p. 400-405, waar hij de voordelen in dit verband van een schadevergoedingsactie boven bewijsuitsluiting bespreekt. En zie par. 4.2.5.
Stuntz 1997, p. 450.
Stuntz 1997, p. 453.
Stuntz 1997, p. 454.
Kerr 2011, p. 1092-1095 en p. 1118. Dit is het ook door Jörg 1989 genoemde argument gerelateerd aan rechtsontwikkeling, zie par. 2.5.
Zie voorzitter Burger in zijn ‘concurring opinion’ bij Stone v. Powell, 428 U.S. 465 (1976).
Steiker 1994, p. 849-853 en Kamisar 2003, p. 126-127.
Kamisar 2003, p. 128.
Kamisar 1983, p. 655.
Zie over die uitzondering op de bewijsuitsluitingsregel de hiervoor besproken zaak Herring en par. 8.2.2.1.
Kamisar 2003, p. 130-131 en Calabresi 2003, p. 113.
Kamisar 2003, p. 130-131.
Calabresi 2003, p. 113.
Kamisar 2003, p. 130-131.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106. Zie ook par. 4.2.2.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106.
Stuntz 1997, p. 445.
Stuntz 1997, p. 445.
Stuntz 1997, p. 446.
Stuntz 1997, p. 446.
Zo wordt M. Paulsen geciteerd door Kamisar 2003, p. 134.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106.
LaFave, Israel & King 2004, p. 106.
Stuntz 1997, p. 445.
Zie bijv. het Hooggerechtshof in Leon.
Zie het citaat hiervoor in par. 8.4.1.1 uit Mapp.
Stuntz 1997, p. 447.
‘If there is a litmus test to distinguish between so-called liberals and socalled conservatives in the United States, it is the exclusionary rule. More than one’s views on abortion, more than one’s views on law and economics, more than one’s views on Bush v. Gore, 531 U.S. 98 (2000), one’s position on the exclusionary rule is viewed as a reliable indicator of the side on which one is situated. To liberals, it is a pillar of privacy; it is essential to protect individuals from predations on the part of the police. To conservatives, it is an absurd rule through which manifestly dangerous criminals are let out because the courts prefer technicalities to truth.’1
In de discussie over bewijsuitsluiting in de VS kan onderscheid worden gemaakt tussen argumenten met een meer principiële aard en argumenten met een vooral utilitair karakter. Bij principiële argumenten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de stelling dat voor de bewijsuitsluitingsregel geen steun is te vinden in de grondwet,2 of juist dat de grondwet toepassing van de bewijsuitsluitingsregel vereist.3 Dit deel van de discussie, dat belangrijke parallellen vertoont met die tussen de ‘originalists’ en de ‘non-originalists’,4 wordt hier vanwege de hoge mate waarin dit is toegesneden op de Amerikaanse situatie, buiten beschouwing gelaten.5 Met het oog op de bedoeling van dit onderzoek is het interessanter de discussie over de praktische vooren nadelen van de regel er nader uit te lichten. Ook daarbij lopen de meningen sterk uiteen. Wat de ene partij in deze discussie als een nadeel ziet, wordt door de andere partij juist als een voordeel beschouwd. Het soms mede politiek gemotiveerd zijn van de stellingname en de dynamische sleutel waarin het Hooggerechtshof de bewijsuitsluiting heeft geplaatst sinds het de toepassing daarvan afhankelijk heeft gesteld van een afweging van de kosten en baten, vormen ook verklaringen voor het voortduren van de discussie en voor de soms scherpe toon daarvan.
Hieronder wordt een opsomming gegeven van de belangrijkste punten van kritiek op de bewijsuitsluitingsregel en van hetgeen daar tegenin is gebracht.
1. De bewijsuitsluitingsregel frustreert de waarheidsvinding en staat daarmee in de weg aan berechting van criminelen, die door de uitsluiting van betrouwbaar bewijsmateriaal worden vrijgelaten en in de gelegenheid worden gesteld nieuwe slachtoffers te maken.6
Dit wordt door voorstanders van de regel niet ontkend, al wordt hiervan wel gezegd dat de kritiek zich zou moeten richten op het Vierde Amendement en niet op de bewijsuitsluitingsregel.
‘Much of the criticism leveled at the exclusionary rule is misdirected; it is more properly directed at the Fourth Amendment itself. It is true that, as many observers have charged, the effect of the rule is to deprive the courts of extremely relevant evidence, often direct evidence of the guilt of the defendant. But these same critics sometimes fail to acknowledge that, in many instances, the same extremely relevant evidence would not have been obtained had the police officer complied with the commands of the Fourth Amendment in the first place’.7
Ook wordt wel aangevoerd dat het inmiddels minder vaak voorkomt dat de bewijsuitsluitingsregel tot vrijspraak leidt vanwege de in de rechtspraak ontwikkelde uitzonderingen op de regel en de restrictieve uitleg van grondwettelijke rechten.8 Toepassing van de regel is beperkt tot die gevallen waarin zij het meest doeltreffend is. De veelvuldig aangehaalde kritiek van rechter Cardozo: ‘the criminal is to go free because the constable has blundered’ is, zo stelt Kamisar, verouderd en zou moeten worden geherformuleerd: ‘nowadays the criminal only goes free if and when the constable has blundered badly’.9
Verder wordt aangevoerd dat aan deze kritiek vaak de veronderstelling ten grondslag ligt dat veelvuldig moordenaars en verkrachters de dans ontspringen, maar dat empirisch onderzoek uitwijst dat bewijsuitsluiting in zulke zaken zeer zelden voorkomt. Bewijsuitsluiting komt in de praktijk vooral voor in gevallen van ongrondwettige zoeking in drugszaken of zaken betreffende illegaal wapenbezit. Als verklaring hiervoor wordt geopperd dat in zwaardere zaken de politie professioneler te werk gaat, maar dat het ook kan zijn dat de druk om in die zaken tot een veroordeling te komen zo groot is, ook op de rechter, dat de uiterste moeite wordt gedaan om een weg te vinden om tot een veroordeling te komen.10
2. De bewijsuitsluitingsregel biedt alleen schuldigen bescherming.11
Tegen deze kritiek wordt ingebracht dat zij miskent dat de beoogde werking van de bewijsuitsluitingsregel niet ziet op de ingreep in het voorliggende geval, maar in het daardoor voorkomen van toekomstige inbreuken op het Vierde Amendement, door voor de politie de prikkel weg te nemen in strijd met dit Amendement te handelen. Daarvan profiteert de hele samenleving.12
3. De bewijsuitsluitingsregel heeft geen empirisch aantoonbaar positief effect.13
Aangevoerd wordt dat het uitvoeren van een betrouwbare empirische meting ondoenlijk is: hoe stel je vast dat iets niet gebeurd is – dat een grondwettelijk recht niet is geschonden – en dat de bewijsuitsluitingsregel daarvoor de reden is? Ook kan geen zinvolle vergelijking worden gemaakt tussen het verschil in de mate van naleving van de grondwet door opsporingsambtenaren in staten met of zonder bewijsuitsluitingsregel, nu de regel sinds Mapp in alle staten moet worden toegepast.14 Empirisch onderzoek op dit punt wijst niet duidelijk in de ene of andere richting.15 Een meerderheid van de leden van het Hooggerechtshof is echter bereid gebleken aan te nemen dat de regel de prikkel vermindert om in strijd te handelen met het Vierde Amendement. 16 Daarvoor bestaan overtuigende argumenten. Kamisar wijst erop dat voor het antwoord op de vraag of de regel werkt, bepalend is welke werking men van de regel verwacht.17 Hij betoogt daarbij dat de bewijsuitsluitingsregel niet zozeer gericht is op het weerhouden van de individuele politieagent door hem persoonlijk af te schrikken.18 De regel werkt door middel van via de politieorganisatie bevorderde naleving van het recht, zogenaamde ‘systemic deterrence’. De politieorganisatie richt zich, zo blijkt in de praktijk, direct naar nieuwe rechtspraak van het Hooggerechtshof, vooral ook omdat het de uitsluiting van bewijsmateriaal wenst te voorkomen.19
Bewijsuitsluiting is geen doel op zichzelf, maar een middel om te bereiken dat de uitvoerende en de wetgevende overheidsmachten zich aan het recht houden en dit implementeren.20 En in dat doel slaagt de regel volgens Kamisar glansrijk.21
4. De bewijsuitsluitingsregel legt een onevenredig groot beslag op schaarse capaciteit van onder meer rechters en advocaten, die daardoor niet aan andere mogelijk belangrijker zaken of aspecten van zaken toekomen.22
De bewijsuitsluitingsregel stuurt de aandacht op verschillende manieren in een bepaalde richting. Dat leidt ertoe dat rechtsontwikkeling vooral in een bepaald soort zaken plaatsvindt, zaken waarin bewijs is vergaard en waarin over de rechtmatigheid van die bewijsverkrijging kan worden getwist. Dat brengt mee dat veel aandacht uitgaat naar vragen als: Waarnaar mag de politie zoeken? Waar mag gezocht worden en wanneer? Over welke informatie moet de politie beschikken voordat tot zoeking mag worden overgegaan? Het recht op het terrein van het doorzoeken van dashboardkastjes is daardoor sterk ontwikkeld, terwijl over het gebruik van dodelijk politiegeweld nauwelijks rechtspraak bestaat.23
Ook op de verdeling van de aandacht tussen verschillende zaken door de bij de rechtspraak professioneel betrokkenen en op de mate waarin aan verschillende aspecten van een individuele zaak aandacht wordt besteed, heeft de bewijsuitsluitingsregel invloed.
In 80% van de zaken is sprake van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Zware overbelasting van advocaten wat betreft het aantal te behandelen zaken is daarbij de norm, zodat zij gedwongen zijn uiterst selectief te werken. ‘The effect is a little like a major battle’s impact on a nearby military hospital: as the casualties pile up, it takes an even more serious injury to get a doctor’s attention’.24 Voor een beroep op de bewijsuitsluitingsregel is veelal geen nader onderzoek nodig. De feiten staan al in het dossier. Het kost dus weinig moeite om een beroep te doen op bewijsuitsluiting, terwijl de voordelen van een succesvol beroep voor de verdachte groot kunnen zijn. Stuntz spreekt het vermoeden uit dat beroepen op bewijsuitsluiting daarbij, vanwege de keuzes in tijdsbesteding waartoe advocaten gedwongen zijn, in de plaats komen van andere verweren, zoals die betreffende de schuld van de verdachte, welke verweren veelal meer onderzoek vergen. Dit heeft niet alleen invloed op het samenstel van verweren dat een individuele verdachte aanvoert, maar ook op de keuzes voor de zaken waarin wel of niet een verweer wordt gevoerd.
‘By vastly raising the number of Fourth Amendment claims litigated—by making Fourth Amendment claims so attractive—the exclusionary rule probably reduces the number of valid self defense claims raised or potential alibi witnesses interviewed. That is a serious cost. It suggests that the exclusionary rule not only frees the occasional guilty defendant; it may contribute to jailing the occasional innocent one. The problem extends to appellate courts as well. Judges too must ration their time and attention, and more time devoted to some kinds of claims tends, at the margin, to mean less time devoted to something else.’25
Kerr heeft er overigens op gewezen dat de mogelijkheid van bewijsuitsluiting juist de noodzakelijke prikkel biedt om te procederen over schendingen van het Vierde Amendement en daarmee bijdraagt aan de ontwikkeling van het recht op dit terrein.26
5. De bewijsuitsluitingsregel staat in de weg aan de ontwikkeling van betekenisvolle alternatieven.27
Tegen deze kritiek op de bewijsuitsluitingsregel wordt aangevoerd dat het de geschiedenis miskent. In de periode van bijna vijftig jaar tussen het aannemen van de bewijsuitsluitingsregel in federale strafzaken in de zaak Weeks en het dwingend voorschrijven van de regel aan de staten in de zaak Mapp is in geen enkele jurisdictie een betekenisvol alternatief ontwikkeld voor de bewijsuitsluitingsregel, terwijl hetzelfde geldt voor de periode tussen Wolf, waarin het Hooggerechtshof de staten uitdrukkelijk aanspoorde ‘even effectieve’ alternatieve bescherming te bieden aan het Vierde Amendement, en Mapp.28
Kamisar zet in dit verband overtuigend uiteen dat niet te verwachten valt dat de politiek tegenwoordig meer geneigd zou zijn om effectieve middelen ter bescherming van het Vierde Amendement in te voeren dan destijds het geval was. Hij wijst er daarbij op dat de ontplooide politieke initiatieven enkel ertoe strekken de bescherming te verminderen en dat dit ook een rationeel te verwachten uitkomst is van politieke processen:
‘Almost everyone has an interest in controlling crime. Only young men, disproportionately black, are at significant risk of erroneous prosecution for garden-variety felonies. Abuses of police search and seizure or interrogation powers rarely fall upon middle aged, middleclass citizens. So long as the vast bulk of police and prosecutorial power targets the relatively powerless (and when will that be otherwise?), criminal procedure rules that limit public power will come from the courts or they will come from nowhere.’29
6. De bewijsuitsluitingsregel werkt vaak disproportioneel, omdat geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van het delict of de intentie van degene die de grondwetsschending begaat.30
Voorstanders van de regel zullen in dit verband kunnen wijzen op de ontwikkeling in de rechtspraak van bijvoorbeeld de ‘good faith’ exceptie,31 waardoor inmiddels wel rekening wordt gehouden met de intentie van de opsporingsambtenaar. Ook kan worden gewezen op de hiervoor genoemde gegevens dat de regel zelden wordt toegepast in zwaardere zaken.
7. De bewijsuitsluitingsregel lokt uit tot het afleggen van meinedige verklaringen door politieagenten over hun optreden.32
Empirisch onderzoek wijst inderdaad uit dat het afleggen van meinedige verklaringen door politieagenten teneinde aan toepassing van de bewijsuitsluitingsregel te ontkomen regelmatig voorkomt, en dat aannemelijk is dat rechters om dezelfde reden welbewust dergelijke verklaringen voor waar aannemen,33 of de politie het voordeel van de twijfel geven.34
Tegen dit kritiekpunt wordt ingebracht dat de bewijsuitsluitingsregel ondanks zijn imperfecties het enige effectieve middel is dat de politie aan restricties onderwerpt en dat elke andere betekenisvolle reactie evenzeer – om deze te ontwijken – een prikkel op zou leveren tot het plegen van meineed. 35
8. De bewijsuitsluitingsregel legt de politie te zeer aan banden: de regel ‘handcuffs the police’.36
Ook tegen deze kritiek wordt wel ingebracht dat zij verkeerd is geadresseerd. Het is niet de bewijsuitsluitingsregel die de politie bepaalde restricties oplegt, maar het Vierde Amendement. Het is dan niet de rechter die door toepassing van de bewijsuitsluitingsregel de politie aan banden legt, maar de grondwetgever die het Vierde Amendement aannam.37 Overigens valt daar weer tegenin te brengen dat de grondwetgever niet aan bewijsuitsluiting heeft gedacht als reactie op schending van het Vierde Amendement, zodat de verantwoordelijkheid daarvoor toch bij de rechter ligt.
Ook wordt wel erop gewezen dat de regel juist een goede balans oplevert tussen het gevaar van ‘underdeterrence’, waarvan sprake is als te weinig reden bestaat tot naleving van de grondwet, en ‘overdeterrence’, waarvan sprake is als de dreiging van sancties zo groot is dat politieagenten niet meer durven op te treden in grensgevallen. ‘Overdeterrence is a serious concern here because in this area, close-to-the-line conduct is often very good.’38 Een steviger toepassing van alternatieve methoden tot handhaving van het Vierde Amendement, zoals schadevergoeding en disciplinaire bestraffing van agenten, hebben daarom vermoedelijk sterke nadelige effecten. ‘If an officer faces serious loss whenever he makes a bad arrest, he will make fewer bad arrests, but also many fewer good ones’.39 Stuntz merkt daarbij op dat het laten dragen van de lasten door de politieorganisatie in plaats van door de individuele politieman niets oplost, omdat dat wegens het Amerikaanse model van financiering van de politie uiteindelijk leidt tot minder politie op die plaatsen waar de kans op een schadevergoedingsactie het grootst is.40
Bewijsuitsluiting heeft tot voordeel dat de politieagent niet meer verliest dan hij won met zijn illegale optreden, zodat het gevaar van ‘overdeterrence’ gering is. Daardoor hoeven rechters ook niet te vrezen dat toepassing van de regel ertoe leidt dat de politie te zeer geremd wordt. Uit dat oogpunt hoeft toepassing van de regel niet gereserveerd te worden voor de ernstigste gevallen, maar kan de hele linie van het Vierde Amendement worden bestreken. Dat geeft de rechter ook de mogelijkheid om recht te ontwikkelen waarin precies wordt gedefinieerd waar de grenzen liggen die de grondwet stelt.
‘These virtues—the ability to deter without overdeterring, coupled with the ability to define the law—are very substantial indeed’.41
9. De bewijsuitsluitingsregel doet afbreuk aan de inhoud van grondwettelijke rechten. ‘Judges do not like excluding bloody knives, so they distort doctrine, claiming the Fourth Amendment was not really violated’.42
Dat dit effect optreedt wordt niet ontkend, maar aangevoerd wordt dat dit evenzeer geldt voor elk betekenisvol alternatief voor de bewijsuitsluitingsregel:
‘Whenever the rules are enforced by meaningful sanctions, our attention is drawn to their content. The comfort of Freedom’s words spoken in the abstract is always disturbed by their application to a contested instance. Any rule of police regulation enforced in fact will generate pressures to weaken the rule’. 43
10. Bewijsuitsluiting komt soms als een verrassing door onduidelijkheid van de maatstaven die worden toegepast in het kader van het Vierde Amendement en die bepalen of handelen daarmee in strijd is of niet.44
Hiertegenover wordt wel gesteld dat het op zichzelf een legitiem punt van zorg is,45 maar dat daaraan niet te ontkomen valt omdat de aard van de toetsing aan het Vierde Amendement in de context van opsporing door politie dit meebrengt. Waar normaal gesproken de kloof tussen illegaal gedrag en goed gedrag groot is, is dit bij politieonderzoek soms een minimaal onderscheid:
‘(...)a search based on (just barely) probable cause may be commendable even while a search that misses the probable cause line by a hair is unconstitutional. Enforcing any legal line that slices so finely is likely to be hard.’46
11. De bewijsuitsluitingsregel is schadelijk voor het imago van de grondwet47 en van de rechtspraak vanwege de vrijlating van criminelen.48
Daartegenover wordt wel gesteld dat het zonder reactie blijven van door de rechter geconstateerde schendingen van de grondwet het imago van het Vierde Amendement, de overheid in het algemeen en de rechter in het bijzonder ook geen goed doet.49 Stuntz wijst zelfs op een voordeel van de zichtbaarheid van de gevolgen van de bewijsuitsluitingsregel, te weten dat het de rechter confronteert met de gevolgen van de grondwettelijke regels die hij voor de politie creëert:
‘To a degree unsurpassed around the world, the United States has given judges (more precisely, judges have given themselves) the job of writing and enforcing the rules that cover day-to-day criminal law enforcement—not just the outer boundaries defining outrageous behaviour, but ordinary rules for ordinary searches and seizures. These judges are often unelected and almost always less politically accountable than officials in the other branches of government, and they have no particular expertise in the system they regulate. Even if this institutional arrangement is necessary, it creates the potential for bad lawmaking. The exclusionary rule is a useful check on that potential, a way of limiting counter-majoritan excess. Judges who write rules that prevent the capture of the occasional rapist are forced to see an occasional rapist walk away as a result of those rules. And the rest of us can see it, too. That may serve to rein in overly aggressive judicial lawmakers.’50