Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.7:1.7 Plan van behandeling
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.7
1.7 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180363:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het eerste deel (hoofdstukken 2, 3 en 4) staan de artikelen 3:15i BW en 2:10 BW en hun voorgangers (artikelen 6, 7, 8 en 10 WvK) centraal. In dit eerste deel schets ik de historische achtergrond van de huidige administratieplicht, voor zover noodzakelijk om te komen tot de beantwoording van de centraal staande onderzoeksvragen. Deze wetshistorische achtergrond is van belang omdat de civielrechtelijke administratieplicht zoals deze nu luidt nog grote gelijkenis vertoont met de wettekst uit 1922. Ook de in de parlementaire geschiedenis bij de verschillende wetswijzigingen gehanteerde argumenten zijn nog relevant. Om de inhoud en reikwijdte van de huidige civielrechtelijke administratieplicht te kunnen duiden, is het nuttig en nodig om deze argumenten te kennen en te wegen in het licht van het huidige tijdsgewricht.
In hoofdstuk 2 staat de wetshistorie van de huidige civielrechtelijke administratieplicht als bedoeld in de artikelen 2:10 lid 1 BW en 3:15i lid 1 BW centraal. Daarin maak ik ook een uitstap naar de fiscaalrechtelijke administratieplicht omdat die van belang is voor de betekenis van de civielrechtelijke administratieplicht.
In hoofdstuk 3 staan de leden 2 tot en met 4 van artikel 2:10 BW en lid 2 van artikel 3:15i BW en hun rechtsvoorgangers centraal.
In hoofdstuk 4 analyseer ik de verhouding tussen artikel 3:15i BW en artikel 2:10 BW en analyseer ik welke civielrechtelijke administratieplicht van toepassing is.
In hoofdstuk 5 staat de administratieplichtige buiten een insolventiesituatie centraal. In hoofdstuk 6 onderzoek ik de invloed van een insolventie op de administratieplichtige en de rol van de curator en bewindvoerder.
In het tweede deel richt ik mij op de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap en dan met name op de inhoud en omvang van de administratieplicht in het licht van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW.
In hoofdstuk 7 ga ik in op de redenen waarom een administratie moet worden gevoerd en welke doelen met het voeren van een administratie worden gediend.
In hoofdstuk 8 beschrijf ik het object en de uitkomst van de administratieplicht, rekening houdend met de aard en de omvang van de door de rechtspersoon verrichte werkzaamheden. Het doel is om op basis hiervan te komen tot een richtinggevend systeem van aan een administratie te stellen minimumeisen, uitgaande van de aard en omvang van de door de rechtspersoon gedreven onderneming.
In hoofdstuk 9 staat artikel 2:10 lid 2 BW centraal en in hoofdstuk 10artikel 2:10 leden 3 en 4 BW. In de slotbeschouwing en samenvatting worden de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek beknopt herhaald.
Het onderzoek is afgesloten op 31 december 2018. Nadien verschenen literatuur en rechtspraak is beperkt verwerkt.