Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.1
1.1 Aanleiding
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180313:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
C.M. Harmsen, ‘Artikel 2:10 BW: een vreemde eend in de “10 jaar NBW”-bijt!’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a., Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Serie Onderneming en Recht, deel 24, Deventer: Kluwer 2002, p. 77-91.
A-G Asser in paragraaf 2.63 van zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./ Sarper).
J. van Bekkum en L. Stoppels, ‘Kroniek bestuurdersaansprakelijkheid 2017’, in: Y. Borrius e.a., Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2017-2018, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 18.
Hoge Raad 10 oktober 2014, r.o. 3.5.2, ECLI:NL:HR:2014:2932, NJ 2014, 456, JOR 2014/327, m.nt. C.M. Harmsen (FSM Europe).
Hoge Raad 11 juni 1993, r.o. 3.5, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./Sarper).
Zie: Gerechtshof Arnhem 12 december 1995, r.o. 8, ECLI:NL:GHARN:1995:AG3024,JOR 1996/7, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, r.o. 8.11.1, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5637, JOR 2004/292 (Van Gils), Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2006, r.o. 4.5.3, ECLI:NL:GHSHE:2006:817, Gerechtshof Leeuwarden 30 januari 2008, r.o. 4, ECLI:NL:GHLEE:2008:BC3428, JOR 2008/89, m.nt. B.F. Assink, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 februari 2012, r.o. 18.2.1, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV3899, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2012, r.o. 4.3, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0445, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 december 2013, r.o. 4.8.4, ECLI:NL:GHSHE:2013:5969, Gerechtshof Amsterdam 27 mei 2014, r.o. 3.10, ECLI:GHAMS:2014:2015, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2015, r.o. 8.6.3, ECLI:NL:GHSHE:2015:2008, JOR 2015/227, m.nt. T. Hekman en M.J.F. Goethals (Aino), Rechtbank Maastricht 22 augustus 1996, r.o. 4.15, ECLI:NL:RBMAA:1996:AG3173, JOR 1997/2, m.nt. J.B. Wezeman, Rechtbank Amsterdam 16 februari 2000, r.o. 5.1 en 5.2, ECLI:NL:RBAMS:2000:AM1920, JOR 2000/121, Rechtbank Breda 5 september 2000, r.o. 3.6, ECLI:NL:RBBRE:2000:AG3788, JOR 2000/213, Rechtbank Utrecht 11 februari 2009, r.o. 4.35, ECLI:NL:RBUTR:2009:BH2768, Rechtbank Rotterdam 25 maart 2009, r.o. 5.2, ECLI:NL:RBROT:2009:BI0667, Rechtbank Breda 25 maart 2009, r.o. 3.2.1, ECLI:NL:RBBRE:2009:BH9042, Rechtbank ’s-Hertogenbosch 23 december 2009, r.o. 4.3.3, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK9672, Rechtbank Arnhem 23 februari 2011, r.o. 4.8, ECLI:NL:RBARN:2011:BP6582, Rechtbank Leeuwarden 16 maart 2011, r.o. 4.3.3, ECLI:NL:RBLEE:2011:BP8004, Rechtbank Arnhem 2 april 2011, r.o. 4.4, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3168, Rechtbank Arnhem 22 juni 2011, r.o. 4.6, ECLI:NL:RBARN:2011:BR0169, Rechtbank Arnhem 21 september 2011, r.o. 4.3, ECLI:NL:RBARN:2011:BT6497, Rechtbank ’s-Hertogenbosch 29 februari 2012, r.o. 4.2, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV6867, Rechtbank Dordrecht 13 juni 2012, r.o. 4.1, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW8451, Rechtbank ’s-Gravenhage 8 december 2012, r.o. 4.8, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV5587, Rechtbank Rotterdam 23 januari 2013, r.o. 4.2, ECLI:NL:RBROT:2013:BY9861, Rechtbank Oost-Nederland 27 maart 2013, r.o. 4.8, ECLI:NL:RBONE:2013:3210, JOR 2013/201, m.nt. C.M. Harmsen, Rechtbank Gelderland 29 mei 2013, r.o. 5.3, ECLI:NL:RBGEL:2013:1469, Rechtbank Den Haag 8 januari 2014, r.o. 4.5, ECLI:NL:RBDHA:2014:87, Rechtbank Noord-Nederland 22 januari 2014, r.o. 4.4, ECLI:NL:RBNNE:2014:371, Rechtbank Gelderland 5 februari 2014, r.o. 4.6, ECLI:NL:RBGEL:2014:4744, Rechtbank Gelderland 26 februari 2014, r.o. 2.11, ECLI:NL:RBGEL:2014:4745, Rechtbank Gelderland 26 februari 2014, r.o. 4.3, ECLI:NL:RBGEL:2014:1438, Rechtbank Rotterdam 3 december 2014, r.o. 8.16, ECLI:NL:RBROT:2014:10715, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2015, r.o. 3.4.3, ECLI:NL:RBZWB:2015:6009, Rechtbank Den Haag 28 oktober 2015, r.o. 5.9, ECLI:NL:RBDHA:2015:14460, Rechtbank Gelderland 20 januari 2016, r.o. 4.1, ECLI:NL:RBGEL:2016:386, Rechtbank Gelderland 20 juli 2016, r.o. 4.4, ECLI:NL:RBGEL:2016:4577 en Rechtbank Limburg 9 augustus 2017, r.o. 4.9, ECLI:NL:RBLIM:2017:7803.
C.M. Harmsen, ‘Artikel 2:10 BW: een vreemde eend in de “10 jaar NBW”-bijt!’, in: S.C.J.J. Kortman e.a., Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Serie Onderneming en Recht, deel 24, Deventer: Kluwer 2002, p. 81.
Zie bijvoorbeeld J.E. Brink-van der Meer, ‘Artikel 2:138-248: Een Loterij? Recente ontwikkelingen in jurisprudentie’, TvI 2009/26, R.A.H. Post, ‘De administratieplicht volgens Beckman’, Ondernemingsrecht 1999-9, p. 255-256, S.J. Witteveen, ‘Knelpunten bij de toepassing van art. 2:248 BW; een analyse aan de hand van de jurisprudentie en literatuur’, TVVS 1998/04.
Gerechtshof Leeuwarden 3 april 2012, r.o. 3.7, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0725.
Zie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2017, r.o. 5.5, ECLI:NL:GHARL:2017:9209, JOR 2018/37, m.nt. J. van Bekkum, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2018, r.o. 5.6, ECLI:NL:GHARL:2018:6118, Rechtbank Noord-Nederland 3 maart 2013, r.o. 4.7.1, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ6198, Rechtbank Noord-Nederland 23 september 2015, r.o. 4.7, ECLI:NL:RBNNE:2015:4488, Rechtbank Noord-Nederland 28 oktober 2015, r.o. 5.8, ECLI:NL:RBNNE:2015:4964, Rechtbank Gelderland 15 juni 2016, r.o. 2.4, ECLI:NL:RBGEL:2016:3579.
Zie: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2015, r.o. 8.6.3, ECLI:NL:GHSHE:2015:2008, JOR 2015/227, m.nt. T. Hekman en M.J.F. Goethals, Rechtbank Rotterdam 3 december 2014, r.o. 8.16, ECLI:NL:RBROT:2014:10715, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2015, r.o. 3.4.3, ECLI:NL:RBZWB:2015:6009, Rechtbank Den Haag 28 oktober 2015, r.o. 5.9, ECLI:NL:RBDHA:2015:14460, Rechtbank Noord-Nederland 28 oktober 2015, r.o. 5.8, ECLI:NL:RBNNE:2015:4964, Rechtbank Gelderland 20 januari 2016, r.o. 4.1, ECLI:NL:RBGEL:2016:386, Rechtbank Gelderland 20 juli 2016, r.o. 4.4, ECLI:NL:RBGEL:2016:4577, Rechtbank Limburg 9 augustus 2017, r.o. 4.9, ECLI:NL:RBLIM:2017:7803 en de arresten genoemd in noot 10. Zie ook M.H.C. Sinninghe Damsté en A. Attaïbi, ‘Een bloemlezing van de recente jurisprudentie over art. 2:138/248 BW’, TOP 2017/480.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 september 2018, r.o. 3.11, ECLI:NL:GHSHE:2018:3959.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2018, r.o. 5.7, ECLI:NL:GHARL:2018:6118 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2018, r.o. 4.13, ECLI:NL:GHARL:2018:7338.
In 2002 schreef ik een artikel over de administratieplicht voor de bundel Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht.1 In het geval van het faillissement van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap verbindt de wet aan de niet-naleving van de administratieplicht de consequentie dat vast staat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Tenzij het bestuur aannemelijk weet te maken dat een andere belangrijke oorzaak het faillissement heeft veroorzaakt, is (zijn) de bestuurder(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in de boedel. Wanneer wel of niet is voldaan aan de administratieplicht, is echter niet eenvoudig vast te stellen omdat de Nederlandse wet geen concrete eisen bevat waaraan de administratie moet voldoen. In de literatuur wordt hieraan weinig aandacht besteed.2 De administratieplicht is dan ook wel aangeduid als “mogelijk één van de meest onduidelijke onderwerpen van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht”.3
In het kader van de administratieplicht overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 10 oktober 2014 inzake FSM Europe het volgende:4
“Volgens art. 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. In het arrest Brens q.q./Sarper heeft de Hoge Raad niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd, maar slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud) BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.”
In het arrest Brens q.q./Sarper waarnaar de Hoge Raad verwijst, overwoog de Hoge Raad ten aanzien van artikel 2:14 (oud) BW, de voorganger van artikel 2:10 BW:5
“Die bepaling regelt niet op welke wijze de administratie van de rechtspersoon dient te worden ingericht en volstaat met de eis dat zodanige aantekeningen worden gehouden dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon ‘kunnen worden gekend’. In de laatste alinea van r.o. 4.6 heeft het hof overwogen dat de administratie van de vennootschap zodanig was dat men ‘snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment’ en dat ‘deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie’. Door op grond van deze – op zichzelf in cassatie niet bestreden – overwegingen te oordelen dat aan de eisen van art. 2:14 lid 1 BW is voldaan, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan ’s hof oordeel in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard; in het licht van de gedingstukken is het niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.”
Uit lagere jurisprudentie na het arrest Brens q.q./Sarper uit 1993 volgt dat aan de geciteerde rechtsoverweging de betekenis is toegedicht dat het voor de vraag of is voldaan aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW (en artikel 2:14 BW als voorganger) voldoende is dat snel inzicht kan worden verkregen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.6 Ook in de juridische literatuur is, ook eenmaal door mijzelf,7 deze onjuiste betekenis toegedicht aan het arrest Brens q.q./Sarper.8 Het Gerechtshof Leeuwarden overwoog in aanvulling op de overweging van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper in een arrest uit 2012 dat de toevoeging “naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden van die rechtspersoon” in artikel 2:10 lid 1 BW meebrengt dat de inrichting van de administratie niet voor iedere rechtspersoon aan dezelfde eisen zal hoeven te voldoen en dat de eisen mede afhangen van de aard en opzet en de organisatie van de onderneming van de rechtspersoon en haar werkzaamheden.9 Deze terechte nuancering van de in de literatuur en jurisprudentie aan het arrest Brens q.q./Sarper toegekende onjuiste betekenis heeft op beperkte schaal navolging gekregen in het hofressort Arnhem- Leeuwarden.10
Uit rechtsoverweging 3.5 van het arrest van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper volgt duidelijk dat de uitleg dat aan de eisen van de administratieplicht is voldaan wanneer snel inzicht kan worden gekregen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming een redelijke inzicht geven in de vermogenspositie, onjuist is. Bij gebrek aan een cassatieklacht tegen de relevante overweging uit het bestreden arrest van het gerechtshof, heeft de Hoge Raad deze overweging niet getoetst. De Hoge Raad heeft uitsluitend overwogen dat het gerechtshof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op grond van die – in cassatie niet bestreden – overweging te oordelen dat aan de vereisten van artikel 2:14 (oud) BW was voldaan.
In zijn arrest uit 2014 inzake FSM Europe heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de vraag of is voldaan aan de administratieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de tekst van artikel 2:10 BW en niet aan de hand van de niet in cassatie bestreden overweging uit het arrest Brens q.q./Sarper. Dat het gebruik van de invulling van de administratieplicht op basis van de rechtsoverweging uit het arrest Brens q.q./Sarper hardnekkig is, blijkt wel uit het feit dat ook nadat de Hoge Raad het arrest inzake FSM Europe had gewezen in oktober 2014, er nog uitspraken zijn waarin door lagere rechters wordt verwezen naar het arrest Brens q.q./Sarper.11
Zelfs in 2018 wordt nog overwogen dat blijkens staande jurisprudentie de administratieplicht zodanig moet worden begrepen dat daaraan is voldaan wanneer aan de hiervoor geciteerde overweging uit het arrest van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper is voldaan.12 Ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwijst in arresten over de schending van de administratieplicht nog naar het arrest Brens q.q./Sarper maar voegt daaraan wel toe dat de Hoge Raad in de zaak FSM Europe heeft overwogen dat voor het antwoord op de vraag of de administratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen, ook andere elementen dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten van belang kunnen zijn.13