Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.3
1.3 Korte historie
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180182:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1976, 339.
Artikel 28: Er zal een Wetboek gemaakt worden, zoo wel van Burgerlijke, als van Lijfstraflijke Wetten, te gelijk met de wijze van Regts-vordering, op gronden, door de Staatsregeling verzekerd, en algemeen voor de gantsche Republiek. Deszelfs invoering zal zijn, uiterlijk binnen twee jaren, na de invoering der Staatsregeling.
Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1 mei 1798.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 8 en 9.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 10.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 10 en 11.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 11.
A. van Gennep, M.S. Asser en J. van der Linden, Het eerste ontwerp van een Nederlandsch Wetboek van Koophandel (ontwerp van 1809), zamengesteld op last van Koning Lodewijk Napoleon, op nieuw uitgegeven met eene voorrede van T.M.C. Asser, Amsterdam: Gebroeders Kraay 1866, p. v. De commissie bestond uit de Heeren Staatsraad A. van Gennep, M.S. Asser en J. van der Linden.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 12 en 13.
W.L.P.A. Molengraaff, Inleiding tot het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1930, derde herziene druk, p. 3, T.M.C. Asser, Schets van het Nederlandsche Handelsrecht ook ten dienste van het Middelbaar Onderwijs, Haarlem: De Erven F. Bohn 1911, twaalfde, vermeerderde druk, p. 4 e.v., H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (Inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 22 e.v.
Tevens in artikel 163 van de Grondwet 1815.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 15 en 16.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 18 en 19.
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de naamlooze vennootschap naar Nederlandsch recht, Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1929, eerste druk, p. 10.
Stb. 1826, 18 e.v.
R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2001, p. 19-23.
Koninklijk Besluit 10 april 1838, Stb. 1838, 12. In Limburg vond invoering pas plaats met ingang van 1 januari 1842 bij Koninklijk Besluit van 10 oktober 1841, Stb. 1841, 43. Zie E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de naamlooze vennootschap naar Nederlands recht, Zwolle: Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1929, eerste druk, p. 12 en R.J.Q. Klomp, Opkomst en ondergang van het handelsrecht (diss. Amsterdam UvA), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 24.
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamloze Vennootschap naar Nederlandsch recht, Zwolle: Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1929, eerste druk, randnummer 318. Valkhoff verwijst naar dit, in moderner taalgebruik gestelde citaat (“Wie op intense wijze aan het verkeer deelneemt, behoort zijn rechtsbetrekkingen te kunnen overzien en zo nodig kenbaar te maken”) uit de zesde druk van het Handboek voor de Naamlooze Vennootschap uit 1955, in: J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk p. 11 en W.C.L. van der Grinten, Van der Heijden Handboek voor de naamloze vennootschap naar Nederlands recht, Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1968, achtste druk, randnummer 318.
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 87-88.
Kamerstukken 16 631, vergaderjaar 1983-1984, nr. 6 (MvA), p. 4.
Wet van 16 mei 1986, houdende wijziging van bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met de bestrijding van misbruik van rechtspersonen, Stb. 1986, 275.
Stb. 1986, 585.
Kamerstukken 16 631, vergaderjaar 1983-1984, nr. 6 (MvA), p. 22.
In dit onderzoek staat de in artikel 2:10 BW neergelegde administratieplicht centraal. Artikel 2:10 BW is per 1 juli 1976 – als artikel 2:14 BW – in werking getreden1 maar ook voor 1 juli 1976 bestond er een administratieplicht voor de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap. De civielrechtelijke administratieplicht in Nederland kent een lange historie.
De eerste stappen op het gebied van de codificatie van het recht vond plaats in 1798. Op 1 mei 1798 trad de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk in werking. Op 28 september 1798 kreeg een codificatiecommissie de taak om uitvoering te geven aan artikel 28 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels2 van de Staatsregeling van 17983 en een codificatie van het recht voor te bereiden.4 Voordat de codificatiecommissie aan de codificatie van het handelsrecht was toegekomen, gaf Lodewijk Napoleon in 1807 opdracht aan de Amsterdamse advocaat Johannes van der Linden een burgerlijk wetboek op te stellen.5 Dit resulteerde in een ontwerp-Burgerlijk Wetboek van 1807, met daarin ook bepalingen van koophandel en burgerlijke rechtsvordering.6 Dit ontwerp heeft geen vervolg gekregen omdat keizer Napoleon op 31 oktober 1807 aan zijn broer Lodewijk Napoleon liet weten dat meer aansluiting moest worden gezocht bij de Franse wetgeving.7 Lodewijk Napoleon gaf vervolgens opdracht aan een commissie om de Franse wetgeving, waaronder de Code de Commerce, voor Nederland te bewerken. Deze commissie adviseerde in maart 1808 om ook voor Nederland een afzonderlijk wetboek voor handelsrechtelijke onderwerpen te maken. Uitgaande van dit advies heeft Lodewijk Napoleon op 29 oktober 1808 een nieuwe commissie opdracht gegeven een Wetboek van den Koophandel voor het Koningrijk Holland samen te stellen. Op 8 juni 1809 werd door deze commissie een ontwerp aangeboden aan koning Lodewijk Napoleon.8 Door de inlijving bij Frankrijk in de zomer van 1810 is het ontwerp van 1809 nooit wet geworden.9 In plaats daarvan werd de Franse Code de Commerce op 1 januari 1811 voor het zuidelijk deel en op 1 maart 1811 voor de rest van Nederland ingevoerd.10
In november 1813 kwam een eind aan de Franse overheersing en werd Nederland weer onafhankelijk. In artikel 100 van de Grondwet van 181411 is vastgelegd dat zowel een wetboek van burgerlijk recht als een wetboek van koophandel zou moeten worden ingevoerd. Een door de koning op 18 april 1814 ingestelde commissie voor het ontwerpen van de gehele nationale wetgeving bood op 17 januari 1815 onder meer een ontwerp- Wetboek van Koophandel aan.12 Het duurde vervolgens nog tot 26 oktober 1822 totdat de eerste twee boeken van het ontwerp-Wetboek van Koophandel bij de Tweede Kamer werden ingediend, gevolgd door een gewijzigde versie van de eerste twee boeken op 20 oktober 1825 en een eerste ontwerp van het derde boek op 1 februari 1826.13 De parlementaire behandeling van het ontwerp-Wetboek van Koophandel startte in de Tweede Kamer op 10 februari 1826. Op 11 februari 1826 werd het Wetboek van Koophandel aangenomen in de Tweede Kamer14 en nadat ook de Eerste Kamer op 18 maart 1826 had ingestemd werd op 23 maart 182615 het Wetboek van Koophandel als wet afgekondigd.16 Nadat nog enkele wijzigingen werden doorgevoerd, heeft het nog tot 1 oktober 1838 geduurd totdat het Wetboek van Koophandel, waarvan de boekhoudplicht deel uitmaakte, in werking trad.17
Ondanks de lange historie van de civielrechtelijke administratieplicht in de Nederlandse wetgeving is de omvang van relevante rechtsliteratuur over de inhoud en betekenis van de administratieplicht beperkt. Dit terwijl al ten tijde van de toepasselijkheid van de Code de Commerce en ook bij de totstandkoming van het Wetboek van Koophandel, de administratie als een belangrijk middel voor het besturen van een onderneming en voor de bescherming van de rechten van crediteuren werd gezien. Van der Heijden onderbouwt de rechtvaardiging voor de verplichting een administratie te voeren door een ieder die een bedrijf uitoefent als volgt:18
“Wie op zoo intense wijze deelneemt aan het verkeer als de koopman doet, behoort zijn rechtsbetrekkingen te kunnen overzien en zoo noodig te kunnen kenbaar maken.”
Uit de parlementaire geschiedenis van het Wetboek van Koophandel volgt dat de wetgever vond dat de boekhouding moest worden gezien als een (eigenlijk “het”) middel, waardoor de oorzaken van het faillissement zouden worden blootgelegd.19
De bescherming van crediteuren was niet alleen een belangrijke reden voor de invoering van de civielrechtelijke administratieplicht maar ook voor de invoering van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW20. Het huidige lid 2 is pas ruim tien jaar na de invoering van artikel 2:138/2:248 BW toegevoegd21 om misbruik van de rechtspersoonlijkheid van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap tegen te gaan. Het is op 1 januari 1987 in werking getreden.22
Het geeft de curator een eenvoudige mogelijkheid om een bestuurder van een failliete naamloze vennootschap of besloten vennootschap aan te spreken in geval van schending van de als fundamentele bestuursverplichting aangemerkte administratieplicht.23