Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.1.4
8.4.1.4 Onttrekking aan ondernemingsvermogen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452956:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
De hiermee samenhangende bepaling van art. 39, achtste lid, (oud) Wet IB is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling in art. 20a, zesde lid, onderdeel g, Wet IB gehandhaafd (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.7).
Vgl. de opmerking in de memorie van toelichting betreffende het ontstaan van een regresvordering ter zake van betalingen uit hoofde van aansprakelijkstellingen in de winstsfeer. Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 62.
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.7.B, Gouda Quint, Deventer.
In de literatuur was de bepaling van art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB reeds als overbodig gekenschetst. Vgl. J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 159, Fed, Deventer, 1995.
Opvallend is dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de bepaling van art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB niet langer wordt teruggevonden. Art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB bepaalde dat als verkrijgingsprijs van aan het vermogen van een onderneming onttrokken aandelen of winstbewijzen gold de waarde in het economische verkeer ten tijde van de onttrekking.1 Over het waarom dit niet is geschied, geeft de wetsgeschiedenis van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling geen uitsluitsel. Waarschijnlijk moet het ontbreken van een met art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB overeenkomende bepalingen worden gezocht in art. 20c, vierde lid, Wet IB.2 Ontbreekt bij een verkrijging een tegenprestatie, dan wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke ten tijde van de verkrijging aan de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen kan worden toegekend.3 Vanuit deze achtergrond is een bepaling als art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB overbodig. Hoewel dit wellicht volstrekt duidelijk is, had het mijns inziens de voorkeur verdient om hieraan, mede gelet op de in de oude aanmerkelijkbelangregeling voorkomende bepaling van art. 39, zevende lid, (oud) Wet IB, in de memorie van toelichting (toch) een enkel woord te wijden.4