Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.4.2
5.5.4.2 Oordeel van het HvJ EG naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576384:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen), Jur. 1995, p. 1-4705, NJ 1997, 116 m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118.
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen ), Jur. 1995, p. 1-4705, NJ 1997, 116 m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118.
Zie ook Wissink 2001, p. 356; Keus 1996, p. 269.
Zie Hartkamp 2007a, p. 8, voetnoot 6. Zie voor wat betreft het bestuursrecht ook Crommelin 2007, p. 353.
Zie de conclusie van A-G Vranken bij HR 21 maart 1997, NJ 1998, 207(Eco Swiss/Benetton), sub 24.
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen), Jur. 1995, p. 1-4705, NJ 1997, 116 m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118; HR 1 november 1996, NJ 1997, 117(Van Schijndel) m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118 (Vierkant Beheer/KVBBB).
Het HvJ EG oordeelt naar aanleiding van de bovengenoemde vragen van de Hoge Raad dat de litigeuze EG-Verdragsbepalingen zoals de artikelen 81 en 82 EG dwingende regels zijn en dat de nationale rechter deze ambtshalve moet toepassen, wanneer daarop door de procespartij die daarbij belang heeft geen beroep is gedaan, en het nationale recht hem tot ambthalve toepassing van dwingende regels verplicht dan wel die ambtshalve toepassing toelaat (het non-discriminatie vereiste).1 Het HvJ EG oordeelt dat (r.o. 15)
'(...) in een geding dat betrekking heeft op ter vrije beschikking van partijen staande burgerlijke rechten en verplichtingen, de nationale rechter de artikelen 3, sub f, 85, 86 en 90 van het Verdrag dient toe te passen zelfs wanneer daarop door de procespartij die bij de toepassing belang heeft, geen beroep is gedaan, indien het nationale recht deze toepassing toelaat.'
Waar het nationale procesrecht een verplichting kent of slechts in een bevoegdheid voorziet tot ambtshalve toepassing, moet het gemeenschapsrecht volgens het HvJ EG ambtshalve worden toegepast.2 Deze verplichting hangt volgens het HvJ EG samen met de taak van de nationale rechter om rechtsbescherming te bieden voor de aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten.3 Dit oordeel gaat verder dan de toepassing van de minimumeis van gelijkwaardigheid of non-discriminatie omdat de nationale rechter ook de verplichting krijgt opgelegd tot ambtshalve toepassing van de Europese mededingingsregels indien het nationale recht hem daartoe slechts een bevoegdheid geeft. Voor de Nederlandse burgerlijke rechter maakt dit geen verschil. De situatie dat een regel naar nationaal recht ambtshalve mag (en dus niet moet) worden toegepast doet zich in het Nederlands recht niet voor. Ambtshalve toepassing berust naar Nederlands recht op een verplichting. Zie artikel 25 Rv en artikel 8:69 lid 2 Awb.4
Het oordeel van het HvJ EG wordt echter fors genuanceerd met een beroep op het lijdelijkheidsbeginsel. Het HvJ EG oordeelt namelijk vervolgens dat (r.o. 22)
'(...) het gemeenschapsrecht de nationale rechter er niet toe verplicht, ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.'
Deze beperking wordt gerechtvaardigd door het beginsel dat het initiatief van een procedure bij partijen ligt. Het lijdelijkheidsbeginsel geeft uitdrukking aan de heersende opvattingen over de verhouding tussen de staat en de particulier, de bescherming van de rechten van de verdediging en de verzekering van een goed verloop van de procedure.5 Een uitzondering op het lijdelijkheidsbeginsel bestaat alleen als het openbaar belang ambtshalve rechterlijk optreden vereist. Daar is echter in de zaak Van Schijndel en Van Veen/Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten geen sprake van.6 In de afweging tussen het belang dat de nationale bepaling tracht na te streven en het effectiviteitsbeginsel kiest het HvJ EG in casu voor de garantie tegen (te) vergaande en onredelijke inbreuken op de processuele autonomie van de lidstaten.