Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.5.2
2.5.2 De verzoeker
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197029:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cools/Kroeze 2009, 4.2.
Zie over de eisen van art. 2:346 lid 1 aanhef en sub b en c BW, de kapitaaleisen voor toegang tot de enquêteprocedure, Spruitenburg 2018, p. 3.1.3.
Geerts 2004, p. 2.2.2-2.2.6; Eikelboom 2017, p. 2.6.2.3. Uitvoerig over de ontwikkeling van deze categorie: Spruitenburg 2018, hfdst. 3. Voor een overzicht zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/738, 739, 740. Voorbeelden: deelgenoten in een nalatenschap, waarin certificaten vielen, werden aangemerkt als verschaffer van risicodragend kapitaal (HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6077, ARO 2010/140 (Butôt)); een economisch belang in een vennootschap kan worden gelijk gesteld met het belang van een aandeelhouder (OK 7 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7329, ARO 2012/24 (Chinese Workers); HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7833, ARO 2013/97 (Chinese Workers).De ontwikkeling heeft deels plaatsgevonden onder het enquêterecht van voor 1 januari 2013. Toen luidde de bepaling voor de kapitaalverschaffers, art. 2:346 BW, aanhef en sub b, BW (oud): “indien het betreft een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: een of meer houders van aandelen of van certificaten van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van € 225.000 of zoveel minder als de statuten bepalen”.
De mogelijkheid bestond ook voor 2013, art. 2:346, aanhef en sub c, (oud) BW.
OK 1 maart 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4164, ARO 2005/36 (Stichting Kinderopvang Nederland), op verzoek van de ondernemingsraad. Cools c.s. noteert over de periode tot en met 2007 vier verzoeken die waren ingediend door degenen die hun bevoegdheid ontlenen aan deze bepaling (dwz. de voorloper van art. 2:346 lid 1, aanhef en sub e, BW), en wijst op een toename vanaf 2005 (Rapport Cools/Kroeze 2009, p. 5.5 en 5.8).
Zie naast OK 1 maart 2005 (Stichting Kinderopvang Nederland): OK 5 oktober 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:BD4364, ARO 2005/186 (Smit Transformatoren); OK 18 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2488, ARO 2018/165 (Eneco). Zie in deze laatste beschikking r.o. 2.19 voor vermelding van de overeenkomst waarbij de bevoegdheid aan de (centrale) ondernemingsraad werd verleend.
OK 16 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BG8496, ARO 2007/166 (e-Traction). Het bestuur had aan verzoekers, allen werknemer die “zich grote zorgen maken over de ontstane situatie”, enquêtebevoegdheid toegekend, zie r.o. 2.9. De oude wettelijke bepaling was van toepassing.
OK 31 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3680, ARO 2010/6 (Inter Access), r.o. 2.12. Bij overeenkomsten heeft (het bestuur van) Inter Access Groep aan een Stichting Continuïteit en aan de raad van commissarissen als geheel en aan iedere individuele commissaris de enquêtebevoegdheid toegekend. Er werd uitdrukkelijk vermeld dat het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen daaronder begrepen was. Het enquêterecht van voor 2013 was van toepassing. In 2013 is art. 2:346 lid 2 BW in de wet opgenomen: de commissarissen kunnen de enquêtebevoegdheid van de rechtspersoon uitoefenen.
Dat geldt voor de in de vorige voetnoten vermelde zaken.
Over het begrip openbaar belang in dit verband zie Spruitenburg 2018, p. 10.5. Zij noemt onder meer bedreiging van werkgelegenheid, het belang van de nationale economie, de reputatie van (een sector van) het bedrijfsleven (p. 10.5.2.3). Zie over openbaar belang in de enquêteprocedure ook Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/117.
Cools c.s. telt in de periode van 1971 tot en met 2007 vijf verzoeken van de advocaat-generaal (tot 1 juni 1999 de procureur-generaal) (Rapport Cools/Kroeze 2009, p 5.5).
Cools c.s. telt in de periode van 1971 tot en met 2007 15 verzoeken van werknemersverenigingen (Rapport Cools/Kroeze 2009, p 5.5).
OK 10 januari 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC1657, ARO 2008/20 (PCM); OK 14 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9340, ARO 2010/63, JOR 2010/185, m.nt. S.M. Bartman (Abvakabo FNV/Meavita e.a.). Spruitenburg maakt een kanttekening bij de ontvankelijkheid van de werknemersvereniging in de zaak Meavita (Spruitenburg 2018, p. 9.5.7).
[66] De wet bepaalt in artikel 2:346 BW wie bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête.
Een categorie die relatief weinig gebruik maakt van de bevoegdheid bestaat uit: leden van verenigingen, coöperaties of onderlinge waarborgmaatschappijen.1 De bevoegdheid is gegeven aan ten minste 300 leden, of ten minste één tiende van het aantal leden, of een aantal dat ten minste één tiende van het stemmental vertegenwoordigt, of zoveel minder als de statuten bepalen.
De categorie van de kapitaalverschaffers treedt veelvuldig op als verzoeker. Enquêtes worden in verreweg de meeste gevallen dan ook verzocht bij een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap.2 Voor vennootschappen met een geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen geldt het volgende.3 Aandeelhouders zijn enquêtegerechtigd als ze (gezamenlijk) 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of als ze (gezamenlijk) rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van € 225.000. De statuten kunnen een lagere drempel vaststellen. Bij naamloze of besloten vennootschappen met een geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoen gelden andere drempels.4 De aandeelhouders van die vennootschappen zijn enquêtebevoegd als ze (gezamenlijk) 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Als de aandelen of certificaten beursgenoteerd zijn geldt een drempel van € 20 miljoen (volgens de slotkoers op de laatste handelsdag voor indiening van het verzoek). Ook hier kunnen de statuten een lagere drempel bepalen.5 In de jurisprudentie heeft de kring van de enquêtegerechtigde kapitaalverschaffers in de loop der tijd vorm gekregen.6
De rechtspersoon is zelf ook enquêtebevoegd.7 Niet alleen het bestuur, maar ook de raad van commissarissen kan het verzoek namens de rechtspersoon indienen.8
Verder kan de bevoegdheid om een enquêteverzoek in te dienen bij statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon worden toegekend aan anderen.9 Deze mogelijkheid was in het verleden weinig populair.10 Daar is verandering in gekomen in 2005 met de zaak Stichting Kinderopvang Nederland.11 In een aantal gevallen deed een ondernemingsraad het verzoek op grond van deze bevoegdheid.12 Ook individuele werknemers wordt wel het recht tot het indienen van een enquêteverzoek toegekend. De beschikking in de zaak e-Traction is daar een voorbeeld van.13 De bevoegdheid wordt soms toegekend met het oog op een concreet enquêteverzoek of als onrust bij de rechtspersoon heerst. Het verzoek in de zaak Inter Access Groep werd ingediend door een stichting en leden van de raad van commissarissen die daags voor het verzoek bevoegd waren geworden.14 Het gebruik van deze bevoegdheid heeft geleid tot zaken die veel aandacht hebben getrokken, om redenen die niet met het gebruik van de bevoegdheid samenhangen.15
Sinds 2013 is in geval van faillissement van de rechtspersoon de curator bevoegd.16 In andere bepalingen zijn nog meer enquêtegerechtigden aangewezen. De advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam kan om redenen van openbaar belang een enquête verzoeken op grond van artikel 2:345 lid 2 BW.17 Verzoeken van deze enquêtegerechtigde zijn schaars.18Artikel 2:347 BW geeft de bevoegdheid aan een in die bepaling omschreven vereniging van werknemers.19 In de zaken PCM en Meavita ontleenden verzoeksters de bevoegdheid aan deze bepaling.20