De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.6.1:4.6.1 Ontbinding door het bevoegde orgaan (artikel 2:19 lid 1 letter a BW)
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.6.1
4.6.1 Ontbinding door het bevoegde orgaan (artikel 2:19 lid 1 letter a BW)
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232252:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
C.W. de Monchy & L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, preadvies aan de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 154.
Dijk/Van der Ploeg 2019/14.1.2.
C. W. de Monchy, ‘De Kamer ontbindt’, WPNR 1992/6066; Dijk/Van der Ploeg 2019/14.1.1.
Vanwege de gekunsteldheid in strijd met de eisen van de esthetiek, zie hierover Asser/Scholten Algemeen deel* 1974/13.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste stichtingen worden ontbonden op grond van een daartoe strekkend besluit. Bij het opstellen van de statuten van de bij dode opgerichte stichting is het daarom van belang dat wordt bedacht of de stichting voor tijdelijk gebruik bedoeld is, of dat deze een in beginsel oneindig bestaan zal leiden.
Als de stichting is bedoeld voor de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater, zal het de bedoeling zijn dat de stichting wordt ontbonden indien en zodra deze afwikkeling is voltooid. Het is dan raadzaam in de statuten te bepalen dat kan worden besloten tot ontbinding van de bij dode opgerichte stichting, indien en zodra het bestuur van mening is dat de nalatenschap van erflater is afgewikkeld.
Het besluit tot ontbinding wordt genomen door het bestuur (artikel 2:19 lid 1 letter a slot BW). Dit betreft echter slechts regelend recht. De statuten kunnen een eigen voorziening geven. Zo moet het mogelijk worden geacht de bevoegdheid tot het besluiten tot ontbinding bij een ander orgaan te leggen,1 bijvoorbeeld de raad van toezicht of te onderwerpen aan de goedkeuring van een derde, ook als deze belanghebbende is.2 De bevoegdheid de stichting te ontbinden, zou dus ook aan een executeur of de testamentair bewindvoerder kunnen worden toegekend, zowel in hoedanigheid als in persoon. In tegenstelling tot de bij leven opgerichte stichting,3 moet het voor onmogelijk gehouden worden dat bij het maken van de uiterste wilsbeschikking tot oprichting ̶ dus al in de uiterste wil ̶ een besluit wordt genomen tot ontbinding van de bij dode opgerichte stichting op termijn. Hoewel ik in 3.2.1.1 en 4.3.4 schreef dat de erflater een orgaan kan vormen van de bij dode opgerichte stichting, komt een constructie via samenval van rechtsmomenten en het geldig worden van het besluit door de werking van artikel 3:58 BW, mij hier te gekunsteld voor.4 Het besluit tot ontbinding kan immers pas worden genomen nadat de stichting is opgericht, niet al bij de oprichting.
Tot slot van dit onderdeel nog een opmerking over de vraag of het bestuur, gesteld dat daar de bevoegdheid ligt, zonder meer mag besluiten tot ontbinding van de bij dode opgerichte stichting. Ik ben van mening dat dat niet is toegestaan. De problematiek toont verwantschap met de vraag of het bestuur van een bij dode opgerichte stichting de nalatenschap van de erflater mag verwerpen. Ik kom hierop terug in 6.3.3.1.3 bij de bespreking van de bevoegdheid tot verwerping van erfrechtelijke bevoordelingen.