Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/10.2.5:10.2.5 Resultaten van de consultaties
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/10.2.5
10.2.5 Resultaten van de consultaties
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976949:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De VO-raad en de NVLM ondersteunen het wetsvoorstel. De VO-raad benadrukt de ondersteuning van de scholen bij de implementatie van de burgerschapsopdracht. De NVLM acht het voorstel een grote verbetering. Het wetsvoorstel wijst namelijk geen vakken aan, waarin de burgerschapsvorming zou moeten plaatsvinden. Ze stelt voor ‘de kennis van de instituties van de democratische rechtsstaat’ toe te voegen aan de kennis- en inzichtcomponent en de nadruk op de sociale cohesie en het respect voor basiswaarden wat minder te accentueren.
De kritiek van de Onderwijsraad en de Afdeling advisering van de Raad van State is onder meer gericht op het missen van de scherpte bij de formulering van het containerbegrip burgerschap en de burgerschapsopdracht in relatie tot artikel 23 Gw, hetgeen een duidelijke afbakening vergt. Het wetsvoorstel blijft te vaag en moet preciezer onderbouwd en uitgewerkt worden. De Onderwijsraad vraagt een nadere uitwerking in kerndoelen en eindtermen. De burgerschapsopdracht moet directer gericht worden op de democratie. Bovendien moet de zorgplicht van het bevoegd gezag worden geschrapt.
De Afdeling advisering stelt dat pluriformiteit een wezenskenmerk is van de democratische rechtsstaat in de Nederlandse constitutionele rechtsorde. Deze pluriformiteit komt tot uiting in de gelijkheidsnormen (artikel 1 en 3 Gw), de klassieke vrijheidsrechten (hoofdstuk 1 Gw) en de neutraliteit van de overheid (artikel 3 en 23 lid 3 Gw).1 Voor de inrichting van de burgerschapsvorming is artikel 23 Gw normerend, zowel voor het openbaar (inrichtingsvrijheid) als het bijzonder onderwijs (vrijheid) van richting en inrichting. Het inspectietoezicht zal op de vaardighedencomponent (sociaal-cultureel burgerschap) en de bestuurlijke zorgplicht terughoudend moeten zijn. De te onbepaalde en weinig objectiveerbare zorgplicht (als instructienorm) van het bevoegd gezag tot het scheppen van een op waarden geladen schoolcultuur die niet goed als bekostigingsvoorwaarde is te handhaven, zou de Afdeling willen vervangen door een verantwoordingsplicht van het bevoegd gezag voor een veilige schoolcultuur in het schoolplan en de schoolgids.2 Het accent moet dan liggen op het zich verantwoorden over de wijze waarop zij aan deze aspecten vormgeven, en niet op de keuzes die hieraan ten grondslag liggen.3