Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/8.2.6
8.2.6 Waarden en beginselen bij Rehabilitation
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS576819:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Welti 2005, p.267-295.
BVerfG 22 juni 1977, BverfGE 45, 367, 387.
Welti 2005, p.277-278 en 280.
Welti 2005, p.381-555, samenvatting in p.750-754. In mijn definitie zou menswaardigheid een waarde zijn (zelfs dé basiswaarde van sociale rechtsvorming), maar Welti noemt het een beginsel. Vrijheid van zelfbeschikking zie ik net als hij als beginsel, omdat het een verbijzondering is van de waarde vrijheid.
In het algemeen neergelegd in § 1 GG en § 1 lid 1 SGB I.
Handvest EU, GG, SGB IX.
Welti 2005, p.750-751.
Welti 2005, p.753, zie uitgebreider p.519.
Welti 2005, p.753, met daarnaast het in het algemene maatschappelijke belang voorkomen dat uitkeringen aantrekkelijk worden omdat daarvoor geen tegenprestatie wordt verlangd, p.521.
Welti 2005, p.752, die leven, de gezondheid die mogelijk is en een garantie van een bestaansminimum noodzakelijke voorwaarden noemt voor het vrije zelfbeschikkingsrecht.
Recht op vrije arbeidskeuze, § 12 lid 1 GG.
Welti 2005, p.174-175. Hij heeft het over ‘Inklusion’ van ‘behinderter menschen’, maar naar mijn mening is het doel zoals hij dat omschrijft niet beperkt tot gehandicapten. Allereerst niet omdat zijn redenering opgaat voor (en hij ook meer in het algemeen spreekt over) mensen met beperkingen en dat later pas toespitst. Verder heeft het begrip Behinderten als eerder gezegd een grote reikwijdte: elke werknemer die (naar verwachting) ten minste zes maanden uitvalt, met beperkingen van betekenis (ten minste 30%) is van rechtswege al ‘behindert’.
Welti 2005, p.547-548.
In het vorige hoofdstuk is al gebleken dat een heel scherpe definitie van Rehabilitation in het Duitse recht moeilijk te geven is. Vandaar dat Rehabilitation in de wet vooral ‘operationeel’ is beschreven, als processen en instrumenten voor het bereiken van een doel. Dat doel is deelnemen in het arbeidsproces. Om toch wat meer te kunnen zeggen over de kern van re-integratie in Duitsland zijn de onderliggende waarden en beginselen van belang. Die onderliggende waarden en beginselen zijn terug te voeren op de Duitse grondwet. Duitsland als Sozialstaat (§ 20 GG) is een waarde, waardoor de overheid heeft te zorgen voor alle burgers.1 Het BVerfG omschreef dat in 1977:
‘Die mit dem Arbeitsleben der Industriegesellschaft verbundenen Risiken können nicht von dem einzelnen Arbeitnehmer getragen werden, sondern müssen durch umfassende Systeme der sozialen Sicherung wie insbesondere durch die gesetzliche Unfallversicherung aufgefangen oder doch gemildert werden. Erst hierdurch ist es dem Einzelnen möglich, seinen für die Allgemeinheit wichtigen Beitrag zur Arbeitswelt zu leisten.’2
Dat betekent dat het een overheidstaak is om voor solidariteit te zorgen: het over en weer voor elkaar instaan bij bepaalde risico’s van arbeid zoals ziekte en handicap.3 Bij het vormgeven van die solidariteit voor zieke werknemers komen de waarden en beginselen van Rehabilitation om de hoek kijken. Welti meent dat er vier zijn:4
Elk mens heeft recht op bescherming van zijn persoon als deelnemer in het rechtsverkeer en het maatschappelijk leven. De menswaardigheid van elk staat een utilitaristische afweging, namelijk van de waarde van de ene persoon tegenover de ander, in de weg. Dat iemand een beperking heeft, vermindert zijn recht op een waardige behandeling niet.5
Gelijkheid is met name voor gehandicapten in verschillende regelingen neergelegd, veelal als benadelingsverbod.6 Een benadelingsverbod is tegelijk een gebod te streven naar sociale gelijkheid, gelijkwaardigheid. Dat kan worden vertaald in een aanspraak op gelijke prestaties of op gelijke kansen, waarbij bij arbeid vooral de gelijke kansen centraal staan. Het is legitiem om anderen ongelijk te behandelen om op die manier gelijke kansen voor deze groepen te verwezenlijken.7
De vrije zelfbeschikking is het recht om in vrijheid te leven zonder ongerechtvaardigde beperkingen door de staat of het recht. Vrije zelfbeschikking is meer dan alleen een juridisch mogen, maar ook het feitelijk zelf kunnen beschikken over het leven. Het bieden van kansen rond arbeid en het ondersteunen daarin kan die zelfbeschikking feitelijk mogelijk maken. Maar tegelijkertijd brengt de vrije zelfbeschikking mee dat het aan de werknemer zelf is te bepalen of hij daarvan gebruik maakt: ‘Rehabilitation muss immer freiwillig sein’.8
De keuzevrijheid is nooit absoluut, maar wordt beperkt door bijvoorbeeld regels en maatschappelijke eisen. Ook bij Rehabilitation gelden verplichtingen, wat bij niet-naleving tot verlies van aanspraken kan leiden. Dat is een beperking van de vrije zelfbeschikking maar die is geoorloofd, zolang dat verlies van aanspraken niet als sanctie wordt gezien, maar als het wegvallen van een wederkerige verplichting. Als Rehabilitation namelijk daadwerkelijk tot kansen op feitelijke zelfbeschikking leidt en de werknemer ervoor kiest daarvan geen gebruik te maken, dan is het gerechtvaardigd daartegenoverstaande (uitkerings)aanspraken te laten vervallen.9 Dat doet geen wezenlijk afbreuk aan de vrijheid van het zelfbeschikkingsrecht, zeker niet omdat de drang die wellicht kan worden gevoeld om toch maar in te stemmen en verval van die aanspraken te voorkomen, wordt gematigd doordat een ‘Existenzminimum’ altijd is gegarandeerd.10
Als laatste noemt Welti ‘Teilhabe’ of ook wel ‘Partizipation’. Het is niet alleen de taak van de staat de deelname aan bepaalde door grondrechten beschermde activiteiten zoals arbeid te beschermen, maar ook om die te bevorderen.11 Bescherming ziet dan meer op de bestaande arbeid, terwijl de bevordering voornamelijk om nieuwe arbeid gaat. Onder Rehabilitation ligt dus de grondwettelijke plicht van de staat tot ‘Integration oder Inklusion…in die gesellschaftlichen Systemzusammenhänge’ van mensen met beperkingen.12 Uiteraard hoeft de staat die plicht niet steeds zelf uit te voeren, maar kan ook aan dit beginsel worden toegekomen door voorwaarden te scheppen die anderen daartoe in staat stelt.13