Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.4.1
3.4.1 Inleiding
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS343080:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 1.5.
MvT, Kamerstukken II 1979/80, 16 016, nr. 3, blz. 17 en MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 2. Zie o.a. ook Kavelaars (2011), Hoogeveen (2011), blz. 279, Van Vijfeijken, Cursus Belastingrecht S&E, 0.0.4, Rijkers (2009) en Van Vijfeijken (2008a).
Zie o.a. Kavelaars (2011) en Zwemmer (2001), blz. 11-14.
Als belangrijkste rechtsgronden hebben derhalve te gelden het draagkrachtbeginsel en het beginsel van de bevoorrechte verkrijging. De rechtsgrond voor de schenk- en erfbelasting wordt in dit onderzoek als gegeven beschouwd. Zie voor een overzicht omtrent de rechtsgrond Schuttevâer en Zwemmer (1998), blz. 59-62.
In de afbakening van het onderzoek is aangegeven dat centraal staan de belastingen die naar draagkracht worden geheven bij een bedrijfsoverdracht.1 Ook de erf- en schenkbelasting kunnen worden getypeerd als een heffing naar draagkracht.2 De verkrijger wordt belast voor de draagkrachtvermeerdering die hem toekomt door het overlijden van iemand of door een aan hem gedane schenking. Naast het draagkrachtbeginsel als rechtsgrond voor de erf- en schenkbelasting wordt ook het beginsel van de bevoorrechte verkrijging genoemd.3 Belastingheffing is legitiem omdat iemand iets verkrijgt zonder dat hij daarvoor iets hoeft te doen.4 Op grond van art. 1 SW 1956 wordt in de heffing betrokken de waarde van al wat krachtens erfrecht of schenking wordt verkregen. Dit betekent dat bij een bedrijfsoverdracht, naast de heffing van inkomsten- en/of vennootschapsbelasting, ook erf- en schenkbelasting aan de orde kan komen. Door de werking van fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kan het voordelig zijn te wachten met de bedrijfsoverdracht tot het moment van overlijden. Het schenken van de onderneming bij leven, waar ook fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor gelden, is immers niet voor iedereen weggelegd. Dat belastingplichtigen wachten met overdragen van de onderneming tot fiscale faciliteiten kunnen worden benut is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt doorgaans onverstandig.
In deze paragraaf wordt de belastingclaim bij vererving of schenking van ondernemingsvermogen geanalyseerd. Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten beogen immers de belastingclaim te verzachten. Daartoe wordt in paragraaf 3.4.2 eerst ingegaan op het subject van heffing, waarna in paragraaf 3.4.3 het object van heffing volgt. In paragraaf 3.4.4 komt specifiek de waardering van ondernemingsvermogen aan de orde. Ten slotte wordt in paragraaf 3.4.5 aandacht besteed aan de tarieven en de voor bedrijfsoverdrachten van belang zijnde vrijstellingen. De hoogte van de tarieven en de hoogte van de vrijstellingen bepalen mede de noodzaak voor een bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Met vrijstellingen worden bedoeld de in art. 32 SW 1956 opgenomen vrijstellingen en dus nadrukkelijk niet de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, die ook als vrijstelling werkt. Deze bedrijfsopvolgingsfaciliteit die in de SW 1956 en IW 1990 is opgenomen, moet de belastingclaim mitigeren. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt in hoofdstuk 5 geanalyseerd en getoetst.