Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.2.3:2.2.3 Materiële versus formele waarheid
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.2.3
2.2.3 Materiële versus formele waarheid
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Cleiren 2001, p. 13 en Spencer 2003, p. 29-30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zojuist genoemde waarheidstheorieën en daaraan gekoppelde begrippen kunnen in verband worden gebracht met het in de strafrechtelijke context veelvuldig gehanteerde onderscheid tussen de formele en materiële waarheid. Materiële waarheid duidt op datgene wat ‘werkelijk zo is’, een in taal bestaande weergave van de werkelijkheid of - in voornoemde terminologie - een bewering over de feiten die correspondeert met de werkelijkheid (corresponderend waarheidsbegrip). De formele waarheid zou kunnen worden opgevat als datgene waarvan in rechte – op grond van het aanwezige bewijs – is gesteld dat het waar is (evaluerend waarheidsbegrip). Het gaat bij een rechterlijke uitspraak immers om een evaluerend eindonderdeel, waarmee het einde van een zoektocht wordt gemarkeerd. Hoewel correspondentie met de werkelijkheid het centrale streven is, behelst het eindproduct – als gezegd – in belangrijke mate een constructie. De ‘waarheid’ die in een rechterlijke uitspraak wordt ‘vastgesteld’, is in die zin altijd formeel of processueel van aard.
Het is gebruikelijker om het begrippenpaar van de materiële en formele waarheid te relateren aan te onderscheiden rechtsstelsels, bijvoorbeeld in relatie tot het onderscheid tussen het civiele recht en strafrecht. Echter, ook dan werkt het niet verhelderend. Zo wordt het onderscheid door sommige auteurs gebruikt om aan te geven dat het in door partijen gedomineerde procesvormen slechts zou gaan om een partijenwaarheid (formele of relatieve waarheid), terwijl het in stelsels waarin de rechter een meer actieve rol heeft en niet gebonden is aan hetgeen partijen inbrengen, zou gaan om de werkelijke of volle waarheid (materiële waarheid). De correspondentie met werkelijkheid zou bij de formele waarheid minder groot zijn dan bij de materiële waarheid. Andere auteurs wijzen erop dat niet zozeer de ‘aard van de waarheid’ verschilt, maar het proces waarmee die waarheid wordt achterhaald.1 Zo zou ook in het civiele recht ernaar worden gestreefd om de beslissing over een geschil te funderen op de feiten, ondanks dat feiten en omstandigheden die door partijen niet worden betwist door de rechter als vaststaand mogen worden aangenomen. Vanwege het vele verschillende interpretaties en de verwarring die de begrippen plegen op te roepen, wordt dit begrippenpaar in dit onderzoek verder buiten beschouwing gelaten. Als uitgangspunt geldt dat de strafrechter bij het doen van vaststellingen van feitelijke aard streeft naar correspondentie met de werkelijkheid en dat in strafprocessuele context gehanteerde procedures en regels vanuit dat licht kunnen worden beschouwd.