Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.3.3:5.8.9.3.3 De reikwijdte van de inningsbevoegdheid van een pandhouder in het licht van recente ontwikkelingen
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.3.3
5.8.9.3.3 De reikwijdte van de inningsbevoegdheid van een pandhouder in het licht van recente ontwikkelingen
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de hierna aangehaalde jurisprudentie.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34 en vgl. HR 11 maart 2005, NJ 2006/362.
Krzemiñski 2018, p. 503.
Voor schuldeisersbevoegdheden die bij de pandgever blijven rusten zie bijvoorbeeld HR 21 februari 2014, NJ 2015/82.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ING/Akzo-arrest is alweer bijna twintig jaar oud. Inmiddels heeft de rechtsontwikkeling niet stilgestaan. Over de positie van de pandhouder is het een en ander te doen geweest.
Artikel 3:246 lid 1 BW geeft een pandhouder de bevoegdheid om de vordering waarop het pandrecht rust, te innen:
Artikel 3:246 lid 1 BW
Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.
Zoals in de bepaling is vermeld, komt de inningsbevoegdheid aan de pandhouder toe wanneer de verpanding aan de debiteur is medegedeeld. Voordat die mededeling is gedaan, is de pandgever – de rechthebbende van de vordering – zelf nog inningsbevoegd.
Op basis van recente ontwikkelingen in de jurisprudentie lijkt de tendens dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder ruim – misschien wel steeds ruimer – moet worden opgevat. Daarmee krijgt een pandhouder een sterkere positie.1
Naast de inningsbevoegdheid, die de pandhouder het recht geeft een betaling in ontvangst te nemen en af te dwingen, zijn er diverse aanvullende bevoegdheden die een pandhouder ten dienste staan. Zo kan een pandhouder een vordering opeisbaar maken door opzegging.
De aanvullende bevoegdheden die aan de pandhouder toekomen, hangen samen met zijn inningsbevoegdheid. De bevoegdheden zijn gericht om door gebruikmaking van zijn pandrecht verhaal te kunnen halen teneinde zijn gesecureerde vordering voldaan te krijgen.
In lijn met vorenstaande kan de pandhouder tevens de aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrechten en andere nevenrechten uitoefenen.2 De bevoegdheden die een pandhouder in dat kader toekomen, zijn ruim. Onlangs heeft de Hoge Raad beslist dat een openbaar pandhouder kan worden aangemerkt als een schuldeiser in de zin van artikel 1 lid 1 Fw.3 De pandhouder is aldus – onder omstandigheden – bevoegd om het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aan te vragen:
Artikel 1
De schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.
Een pandhouder kan uit hoofde van zijn inningsbevoegdheid praktisch gezien bijna alles doen om zijn zekerheid te effectueren.4 Toch kan een pandhouder niet volledig op een lijn worden gesteld met de oorspronkelijke schuldeiser.5 De vraag is waar de grens ligt en waar de 403-vordering zich in dat spectrum bevindt.