Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.2.2
2.2.2 Uitgangspunten artikel 23 Rv
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS300990:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Slechts bij wege van hoge uitzondering is het de civiele rechter toegestaan om meer of anders toe te wijzen dan gevorderd (vgl. artikel 1:406 BW en Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 59 (nr. 48d)). Het is niet zo dat bij betrokkenheid van iedere regel van openbare orde artikel 23 Rv niet op zou gaan, maar het belang dat bijvoorbeeld is verbonden aan artikel 1:406 BW – namelijk het onderhoud en essentiëler welzijn van kinderen – kan alleen worden gediend door een regel zoals die uit artikel 1:406 BW.
Van Mierlo & Bart, Parl. Gesch. WvBRv (2002), p. 160. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 59 (nr. 48d).
In een concreet geval kan het echter zo zijn dat de eisende partij niet vrijelijk een vordering in rechte kan indienen, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende belang heeft bij haar vordering of omdat de vordering onderworpen is aan een verstreken vervaltermijn. In beide gevallen bestaat de vordering wel, maar de rechter kan deze niet in rechte toewijzen. Het procesrecht beperkt dan het recht om te procederen (vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 52 (nr. 43)).
Van Schaick 2009, p. 23; Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 49 e.v. (nr. 42 e.v.). Zie ook: HR 8 juni 2007, NJ 2008, 142, m.nt. H.J. Snijders (W/OvJ), r.o. 3.5.2, waarin op basis van het beginsel van partijautonomie wordt afgezien van een ambtshalve toepassing van berusting. Hiermee vergelijkbaar: HR 16 februari 2001, NJ 2001, 236 (De Ganzeveer/PCT), r.o. 3.3, waarin des hofs oordeel inhoudende een ambtshalve toepassing van een gezag van gewijsde wordt gecasseerd (zie ook: HR 24 september 2004, NJ 2006, 200 (Dryade/Staat der Nederlanden), r.o. 3.3.5 (in fine); HR 16 november 2001, NJ 2002,400 (Olde Damink/Oldenzaal), r.o. 3.7 (in fine) en artikel 236 lid 3 Rv).
25
Het is aan de rechter te beslissen op wat is gevorderd. Hij mag niet meer of anders toewijzen dan gevorderd.1 Dit verbod op ultra- of extra petita uitspraken is met de herziening van het burgerlijke procesrecht in 2002 wettelijk verankerd in artikel 23 Rv.2 Aan dit artikel ligt het beginsel van partijautonomie ten grondslag. Het is aan partijen om te bepalen of zij wensen te procederen, en zo ja, waarover.3 Met deze procedure beschikken zij immers over de hen toekomende rechten. Zij bepalen in hoeverre zij deze geldend wensen te maken.4