De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.5.6:9.5.6 De zaak PCM: enquête naar boven
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.5.6
9.5.6 De zaak PCM: enquête naar boven
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381852:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 10 januari 2008, JOR 2008/39 m.nt. Brink (PCM), r.o. 3.30.
OK 10 januari 2008, JOR 2008/39 m.nt. Brink (PCM), r.o. 3.14.
HR 4 februari 2005, JOR 2005/58 m.nt. Van den Ingh (Landis), r.o. 3.3.3.
Zie § 9.5.2 en § 6.2.
HR 4 februari 2005, JOR 2005/58 m.nt. Van den Ingh (Landis), r.o. 3.3.4.
Zie § 2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de PCM-beschikking luidt het verweer eveneens dat de vakbonden slechts enquêtebevoegd zijn bij de dochtervennootschap en niet bij de holding, omdat de vakbondsleden enkel werkzaam zijn bij de dochtervennootschap. De OK herhaalt haar rechtsregel uit de hiervoor besproken uitspraken dat een vakbond bevoegd is een enquête te verzoeken bij concernvennootschappen van de rechtspersoon in wiens onderneming haar leden werkzaam zijn. Dit geldt volgens haar zeker nu de positionering van PCM holding in de in het geding zijnde gebeurtenissen aanleiding geeft tot de ontstane twijfel aan juist beleid.1 Die positionering ziet met name op de toetreding van de Apax-groep als middellijk aandeelhouder van PCM Uitgevers via PCM Holding (een speciaal daartoe opgerichte vennootschap) en de hoge schuldenlast die door PCM Holding is aangegaan om de koopprijs van de aandelen in PCM Uitgevers te kunnen voldoen. Nu PCM holding geen andere bezittingen heeft dan haar 100%- deelneming in PCM Uitgevers komen de (betalings)verplichtingen die door PCM holding zijn aangegaan volgens de OK per saldo voor rekening van PCM Uitgevers, omdat deze slechts kunnen worden voldaan door de baten die PCM holding uit PCM Uitgevers geniet dan wel uit leningen die door PCM Uitgevers daartoe aan PCM Holding zijn verstrekt. Volgens de OK is in zoverre sprake is van een economische en financiële eenheid tussen de holding en haar dochtervennootschap.2
Hoewel uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat PCM Holding het beleid van PCM Uitgevers geheel of in belangrijke mate bepaalt, stelt de OK dat niet uitdrukkelijk vast zoals zij at in IJsselwerf en Esteves doet. Ik vraag me daarnaast af of de OK, gelet op de inmiddels gewezen Landis-beschikking, niet had moeten vaststellen dat een zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid bij PCM Uitgevers ontbreekt. In 2005 oordeelt de Hoge Raad in zijn Landis-beschikking dat een enquête naar een dochtervennootschap mogelijk is indien de moedervennootschap en dochtervennootschap zodanig met elkaar verweven zijn dat (i) zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid van de dochtervennootschap ten opzichte van de moedervennootschap ontbreekt, en dat derhalve (ii) het beleid en de gang van zaken van die dochtervennootschap de belangen van de aandeelhouders (of certificaathouders) van de moedervennootschap evenzeer en op gelijke wijze raken als het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap zelf (§ 6.4.3).
Het gaat in Landis weliswaar om een neerwaartse enquête van aandeelhouders, maar ik acht goed verdedigbaar dat deze benadering ook geldt voor een opwaartse concernenquête van vakbonden. De Hoge Raad refereert in Landis namelijk uitgebreid aan de opvattingen van de SER en de regering – in de persoon van de staatssecretaris van justitie – over opwaartse concernenquêtes door vakbonden.3 Die opvatting houdt in dat ruimte is voor een concernenquête van vakbonden indien de moedervennootschap het beleid en de gang van zaken van de dochtervennootschap geheel of in overheersende mate bepaalt.4 De Hoge Raad overweegt vervolgens dat kapitaalverschaffers en werknemers wat betreft hun toegang tot het enquêterecht zo veel mogelijk gelijk behandeld dienen te worden.5 De twee voorwaarden die de Hoge Raad formuleert voor een neerwaartse enquête van aandeelhouders zijn echter strenger dan die de OK hanteert voor een opwaartse enquêtes van vakbonden. Een rechtvaardiging voor dit verschil zie ik niet. Naar mijn mening dient voor opwaartse concernenquêtes van vakbonden de omgekeerde Landis maatstaf te gelden: moedervennootschap en dochtervennootschap moeten zodanig verweven zijn dat binnen de dochtervennootschap zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid ten opzichte van de moedervennootschap ontbreekt, waardoor het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap de belangen van de werknemers bij de dochtervennootschap evenzeer en op gelijke wijze raakt als het beleid en de gang van zaken van de dochtervennootschap zelf. Een doorbraak van enquêtebevoegdheid naar de moedervennootschap is dan aangewezen. Het beleid van de moedervennootschap en dochtervennootschap is immers een en hetzelfde. In dat geval brengt de strekking van het enquêterecht mijns inziens mee dat een vakbond wier leden werkzaam zijn in de dochtervennootschap (mede) bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek bij de moedervennootschap. Het enquêterecht strekt ertoe de werknemers te beschermen met het bevorderen van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Die bescherming van de werknemers, als strekking van het enquêterecht, komt hier tot uiting in aspecten als openheid, sanering, vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het mogelijk blijkend wanbeleid en preventie op het niveau van de dochtervennootschap zelf en de moedervennootschap.6