Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.7
2.2.7 Sub-deskundigen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701871:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 november 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC9107, NJ 1986/416 (Margraten/Limburg).
HR 20 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2647, NJ 1997/288 (Sonder/Almelo).
HR 25 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7872, NJ 2003/466 (Staat/Korstanje).
Zie over de ‘sub-deskundige’ ook: Sluysmans & Schuite 2022, p. 216-217; Sluysmans, O&A 2015/89, p. 177. Het is ook mogelijk dat partijen al bij de vorming van de commissie van de drie rechtbankdeskundigen verzoeken om iemand met speciale kennis te plaatsen. De inschakeling van een sub-deskundige wordt dan ontweken.
De inschakeling van een sub-deskundige moet worden onderscheiden van het inwinnen van informatie bij derden, zoals makelaars en overige informaten uit het netwerk van deskundigen. Dergelijke informatie heeft een informeel karakter.
Te raadplegen via: rechtspraak.nl.
Onteigeningswet
Het komt wel voor dat er voor (aspecten van) de begroting van de schadeloosstelling expertise is vereist waarover de door de rechtbank benoemde deskundigencommissie niet beschikt. Gedacht kan worden aan schadeposten die zich specifiek geografisch voordoen, aan belastingschade of aan bouwkosten. Maar ook kan worden gedacht aan meer exotische voorbeelden zoals de berekening van de waarde van mergel,1 de waarde van bomen en planten2 of de kosten van de aanleg van een inpandig zwembad.3 De inschakeling van een hulppersoon – een zogenaamde ‘sub-deskundige’ – is dan geraden.4 Een dergelijke sub-deskundige wordt door de deskundigencommissie ingeschakeld, niet door de rechter.5
In de onteigeningswet is niets geregeld omtrent de figuur van de sub-deskundige. Zoals in de navolgende analyse nog zal blijken, is het ook hier – net als dat bij het vergroten van de transparantie omtrent de benoeming het geval was – niet de wetgever, maar de praktijk die voor een verbetering van de normering heeft gezorgd.
Omgevingswet
Onder de vigeur van de Omgevingswet is de Leidraad deskundigen in civiele zaken van belang wanneer het gaat om de inschakeling van sub-deskundigen. 6Paragraaf 10 van de Leidraad voorziet daarvoor in een uitgebreide regeling. Een belangrijk aspect van die regeling is dat partijen voorafgaand aan de benoeming van de sub-deskundige op de hoogte moeten worden gebracht van het voornemen tot het benoemen van een sub-deskundige (§ 10.1 nr. 81 jo. § 10.3, nr. 85). Ook dient overleg plaats te vinden over de persoon van de sub-deskundige (§ 10.3, nr. 86). Bovendien leidt de inschakeling van een sub-deskundige tot extra kosten. Aangezien de sub-deskundige niet door de rechtbank wordt aangesteld, kan deze ook geen rekening indienen bij de rechtbank zoals de rechtbankdeskundigen dat wel kunnen. De sub-deskundigenkosten zullen daarom opgenomen moeten worden in de kostenopgave van de rechtbankdeskundigen (§ 10.6, nr. 94).
Analyse
Als gezegd, is het bij het uitblijven van een wettelijke regeling in de onteigeningswet de onteigeningspraktijk die – via de reeds genoemde expertgroep Grondzaken – in actie is gekomen om de transparantie rondom de inschakeling van sub-deskundigen te vergroten. In 2011 heeft zij het zogenaamde ‘sub-deskundigen-protocol’ vastgesteld. 7Krachtens dat protocol stellen deskundigen, alvorens zij overgaan tot de benoeming van een sub-deskundige, partijen in kennis van het voornemen daartoe. Zij vermelden daarbij de naam en bijzondere expertise van de beoogde sub-deskundige, de opdracht die zij voornemens zijn te verstrekken en een inschatting van de door de sub-deskundige in rekening te brengen kosten. Aan partijen wordt vervolgens een redelijke termijn geboden (het protocol geeft als voorbeeld twee weken) om op het voornemen te reageren. Het is de taak van de deskundigencommissie om vooraf te controleren of het de beoogde sub-deskundige vrij staat in de zaak te adviseren. Het sub-deskundigenprotocol sluit daarmee feilloos aan bij paragraaf 10 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken.
Dikwijls zal de sub-deskundige zijn bevindingen schriftelijk rapporteren. Het behoort dan tot de taak van de deskundigencommissie dat rapport aan het conceptadvies te hechten. Zodoende kunnen partijen ook reageren op het rapport van de sub-deskundige. Blijkens het protocol moet de deskundigencommissie er – in het kader van hoor en wederhoor – hoe dan ook voor zorgen dat partijen de gelegenheid hebben gehad om te reageren op de rapportage van de sub-deskundige.