Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/5.2.5
5.2.5 De invloed van de jurisdictionele reikwijdte van het vennootschapsrecht op de grenzen van de waarborgfunctie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577873:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman (2004), p. 12.
Timmerman (2001a), p. 119. Zie ook zijn eerder opmerkingen hieromtrent in Timmerman (2000), p. 255-256.
Hierover ook Hijink (2006a), p. 93-95.
Op deze ontwikkeling, waarbij de toegenomen mogelijkheden voor vrijheid van vestiging van (beurs)vennootschappen een rol spelen, kom ik in hoofdstuk 9 uitgebreid terug.
Dat in het Nederlandse recht de incorporatieleer de heersende leer is doet hieraan niet af. Evenmin moet het voorgaande worden opgevat als een pleidooi om de incorporatieleer aan te passen of in te ruilen voor de leer van de werkelijke zetel.
Zie Hijink (2006a), p. 94. Ik sprak daarbij over toedeling op basis van een 'pragmatisch afbakeningscriterium'. Hierover ook Hijink (2010), p. 382-383. Naar aanleiding van het voorgaande zou de vraag op kunnen komen of de doelstelling van het Nederlandse vennootschapsrecht niet zou moeten worden genuanceerd tot 'maximalisering van de Nederlandse maatschappelijke welvaart'. Dit is naar mijn mening geen aantrekkelijke route. Dat zou namelijk meebrengen dat de doelstelling van de in het Nederlandse vennootschapsrecht opgenomen voorschriften afhankelijk van het territorium waarop de Nederlandse vennootschap haar activiteiten uitoefent van kleur zou kunnen verschieten.
"Als de Nederlandse wetgever minderheidsaandeelhouders, crediteuren en werknemers wil beschermen — en dat wil de Nederlandse wetgever zeker —, is er veel dwingend recht nodig", zo merkte Timmerman in 2004 op.1 In de voorgaande paragrafen is reeds betoogd waarom deze dwingendrechtelijkheid van het recht geen vanzelfsprekendheid is, ook niet in situaties waarin het "waarborgelement" van het recht een sterke(re) rol speelt. Maar ook, en zelfs, indien wordt aangenomen dat met het oog op bescherming van belangen van bij (beurs)vennootschappen betrokkenen dwingend recht noodzakelijk is, staat daarmee nog niet vast dat dit moet leiden tot dwingend vennootschapsrecht. Sterker; naar mijn mening is verdedigbaar dat als de Nederlandse wetgever belangen van bij (beurs)vennootschappen betrokkenen — met name crediteuren en werknemers — werkelijk wil beschermen, dergelijke voorschriften juist geen onderdeel uit zouden moeten maken van het Nederlandse vennootschapsrecht.
De reden hiervoor is enige jaren geleden reeds door Timmerman gegeven: "het vennootschapsrecht [wordt] een steeds minder geschikt middel om regels van dwingend recht aan ondernemingen op te leggen."2 Het vennootschapsrecht is een steeds minder geschikt middel omdat het aanknoopt bij de plaats van statutaire vestiging van de (beurs)vennootschap.3 Tegelijkertijd is in de praktijk de ontwikkeling zichtbaar dat verbinding tussen de plaats van statutaire vestiging van de beursvennootschap en het territoir waarop deze haar activiteiten uitoefent losser wordt.4 Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop de Nederlandse wetgever de belangen van degenen die betrokken zijn bij de beursvennootschap (desgewenst) kan "waarborgen". Dat geldt vooral voor betrokkenen bij een beursvennootschap, zoals crediteuren en werknemers, waarvan de betrokkenheid niet (noodzakelijkerwijs) verbonden is met de ligging van de statutaire zetel van die vennootschap. De betrokkenheid van dergelijke partijen bij een beursvennootschap ontstaat immers omdat de door hen uitgeoefende werkzaamheden voor, en aangegane (rechts)handelingen met, die beursvennootschap plaatsvinden binnen één en hetzelfde, Nederlandse territoir. Tegelijkertijd is ook de rechtsmacht van de Nederlandse wetgever, in beginsel5, beperkt tot dit territoir.
Deze territoriaal bepaalde aanknopingsmogelijkheid voor het wettelijk kunnen regelen van "waarborgen van belangen" kan een overweging zijn voor de wetgever om bepaalde onderwerpen niet toe te delen aan het vennootschapsrecht, maar aan een aanpalend rechtsgebied waarvan het toepassingsbereik voor het Nederlandse grondgebied geldt in plaats van aan te knopen bij de statutaire zetel. Ik heb dit eerder betoogd voor toedeling van onderwerpen tussen het vennootschapsrecht, waaronder de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap, en het effectenrecht.6