De procesovereenkomst
Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.3.6:3.3.6 Onredelijke vertraging van het geding
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.3.6
3.3.6 Onredelijke vertraging van het geding
Documentgegevens:
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS391846:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In sommige bepalingen die het mogelijk maken voor partijen om af te wijken van het procesrecht is een uitzondering opgenomen voor het geval dat een dergelijke afwijking zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding'.Eendergelijke uitzondering komt met name voor met betrekking tot de mogelijkheden om af te wijken van de termijnen die in de procedure gelden (zie bijvoorbeeld artikel 133 lid 2 en 3, artikel 816 lid 5 en artikel 818 lid 3 Rv).
Doel van deze uitzondering is te waarborgen dat een behandeling binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Dit wordt niet alleen door artikel 6 EVRM vereist, ook artikel 20 Rv bepaalt dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure.
Het begrip onredelijke vertraging van het geding' is een open norm. De rechter lijkt hierdoor een grote vrijheid te hebben om te beoordelen of hij gehoor geeft aan een verzoek van partijen of niet. Bij nadere beschouwing is de beoordelingsruimte van de rechter echter minder ruim dan zij in eerste instantie lijkt. De norm van onredelijke vertraging van het geding' wordt namelijk nader ingevuld door de verschillende landelijke rolreglementen die zijn ontwikkeld. Zo wordt in artikel 2.8 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken artikel 133 lid 2 en 3 Rv nader uitgewerkt. Uit deze bepaling blijkt dat een eerste eenstemmig verzoek van partijen tot uitstel van het nemen van een conclusie of een akte wordt ingewilligd. Nadere verzoeken van partijen dienen echter te worden gemotiveerd. In het Procesreglement scheiding wordt ter uitwerking van het begrip onredelijke vertraging' in artikel 816 lid 5 en artikel 818 lid 3 Rv zelfs een concrete termijn genoemd, namelijk van één jaar (zie artikel 5.2 en 7.6 van dit reglement). Voor zover het eenstemmig verzoek van partijen leidt tot een uitstel van de procedure van langer dan een jaar sinds de oorspronkelijke datum voor de proceshandeling, is in het algemeen sprake van een onredelijke vertraging van de procedure.
Door deze uitwerkingen van het begrip onredelijke vertraging' in de verschillende procesreglementen, wordt de ruimte van de rechter om te beoordelen of een eenstemmig verzoek van partijen moet worden afgewezen, dus ingeperkt. In veel gevallen zal de rechter het verzoek van partijen dan ook zonder meer moeten inwilligen.
Denkbaar is dat ook voor sommige van de niet in de wet geregelde mogelijkheden om af te wijken van het procesrecht deze voorwaarde gesteld moet worden. Partijen zouden in een dergelijk geval dan weliswaar kunnen afwijken van een bepaalde procesregel, maar enkel indien deze afwijking niet leidt tot onredelijke vertraging van het geding.