Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.9.1.1
5.9.1.1 Afgeleide onwaardigheid
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859066:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 18.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 18-19.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 19. Vgl. ook Barbaix 2018, p. 435, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1166 en Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 22.
Vgl. ook par. 1.2.
Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1166 en Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 22.
Barbaix 2018, p. 436, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1166 en Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 24.
Barbaix 2018, p. 436, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1166 en Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 23.
Zie voor een vergelijking op dit punt par. 6.5.
Bij de hervorming van het erfrecht in 2012 is in (thans) artikel 4.9 BBW de zogeheten afgeleide onwaardigheid ingevoerd. Na regels over plaatsvervulling en ouderlijk vruchtgenot gaat dit artikel in op deze nieuwe sanctie. De bepaling legt zich toe op de situatie dat het kind van de onwaardige kinderloos overlijdt waardoor de onwaardige op grond van de wet tot zijn nalatenschap wordt geroepen. De onwaardige kan de goederen die zijn kinderen ten gevolge van zijn onwaardigheid erven noch rechtstreeks noch onrechtstreeks van hen erven, aldus artikel 4.9 BBW.
Ter illustratie is bij de invoering het volgende voorbeeld geschetst. Een zoon vermoordt zijn moeder en is onwaardig om van haar te erven. Het kind van de onwaardige erft bij plaatsvervulling van zijn grootmoeder. Vervolgens overlijdt het kind van de onwaardige die zelf geen kinderen nalaat. Zijn vader, de moordenaar van grootmoeder, is zijn erfgenaam op grond van de wet. Zonder de regeling van de afgeleide onwaardigheid zou de onwaardige vader een deel van de nalatenschap van de grootmoeder alsnog verkrijgen via zijn kind. Om deze situatie te vermijden bepaalt de Belgische wet nu dat de onwaardige ouder ook van de nalatenschap van zijn kind is uitgesloten, ten belope van wat het kind als gevolg van die onwaardigheid, zelf van grootmoeder heeft geërfd.1
Artikel 4.9 BBW schrijft daarbij voor hoe een en ander toepassing vindt. Wanneer de goederen nog in natura in de nalatenschap van het kind aanwezig zijn, is de onwaardige voor deze goederen van de nalatenschap van het kind uitgesloten. Zijn de goederen niet meer in natura aanwezig, dan is de onwaardige ouder uit de nalatenschap gesloten ten belope van de waarde ervan, tenzij de goederen zijn verbruikt en hun tegenwaarde niet meer in de nalatenschap aanwezig is. Als peildatum voor de waardering van de goederen, geldt het ogenblik waarop het kind de goederen verkrijgt, aldus artikel 4.9 BBW.
In de parlementaire geschiedenis wordt aan de hand van het hiervoor aangehaalde voorbeeld van de vader die zijn moeder vermoordt, toegelicht hoe een en ander uitwerkt. Indien vader recht heeft op de helft van de nalatenschap van zijn kind (ervan uitgaande dat de andere helft naar de moeder van het kind gaat) dan wordt zijn helft berekend op de totale nalatenschap met uitsluiting van de goederen die het kind van grootmoeder heeft geërfd, in natura of in waarde, afhankelijk van het geval of de goederen nog in natura aanwezig zijn, tenzij het kind de goederen van grootmoeder heeft verbruikt. In dat geval is de tegenwaarde niet meer in de nalatenschap van het kind aanwezig. De wetgever wil hiermee vermijden dat een ouder zich via zijn kind alsnog kan verrijken met hetgeen hij van zijn slachtoffer niet kon erven, omdat hij daartoe onwaardig was.2 De afgeleide onwaardigheid is daarbij niet beperkt tot een vererving c.q. nalatenschap. De onwaardigheid blijft ook bij verdere verervingen op de goederen rusten.3 Naar Nederlands recht zou gezegd kunnen worden dat onwaardigheid daarmee zaaksgevolg heeft.4
Er ontstaan daarmee twee massa’s bij de afwikkeling van een nalatenschap waarin afgeleide onwaardigheid een rol speelt. De ‘gewone’ nalatenschap enerzijds en de goederen waar onwaardigheid op rust anderzijds. De initieel onwaardige erfgenaam erft enkel van de ‘gewone’ nalatenschap. De goederen waaraan ten opzichte van hem onwaardigheid kleeft, worden verdeeld volgens de gebruikelijke erfrechtelijke bepalingen met uitsluiting van de initieel onwaardige erfgenaam.5 Hiermee vertoont de afgeleide onwaardigheid overeenkomsten met een Nederlandse tweetrapsmaking. Laat de erflater zijn vermogen na onder een tweetrapsmaking dan is bij het overlijden van de bezwaarde ook sprake van twee massa’s: het tweetrapsvermogen en de ‘eigen’ nalatenschap van de bezwaarde.
Op een ander punt dient een gelijkenis tussen deze twee rechtsfiguren zich ook op. Bij de afwikkeling van een nalatenschap waarbij afgeleide onwaardigheid een rol speelt, kunnen bewijsproblemen ontstaan. Aangezien onwaardigheid een uitzondering vormt op de regel, rust op de andere erfgenamen de bewijslast om aan te tonen dat onwaardigheid kleeft aan bepaalde goederen ten aanzien van een bepaalde erfgenaam.6 Bij de afwikkeling van een Nederlandse nalatenschap waarbij een tweetrapsmaking in het spel is, liggen bewijsproblemen ook op de loer. In de Belgische parlementaire geschiedenis is verder niet stilgestaan bij de bewijsproblematiek bij de afgeleide onwaardigheid.
Barbaix & Verbeke wijzen nog op het beperkte toepassingsbereik van artikel 4.9 lid 3 BBW. De bepaling bouwt voort op artikel 4.9 lid 2 BBW dat ziet op de situatie dat een kind via plaatsvervulling nalatenschapsgoederen verkrijgt vanwege de onwaardigheid van zijn ouder en dat bepaalt dat de onrechtstreekse gevolgen van onwaardigheid betrekking hebben op het erfdeel dat het plaatsvervullende kind verkrijgt ten gevolge van de onwaardigheid. Volgens de letterlijke tekst van artikel 4.9 BBW is daarmee alleen het deel bedoeld dat de kinderen via plaatsvervulling voor hun onwaardige ouder verkrijgen. Dat wordt te beperkt geoordeeld. Enerzijds omdat de afgeleide onwaardigheid moet gelden, ongeacht op welke grond het kind zijn erfrechtelijke aanspraken verkrijgt. Anderzijds moet de afgeleide onwaardigheid volgens hen gelden in alle gevallen waarin een onwaardige erfgerechtigde via de nalatenschap van een ander persoon dan een kind (of een afstammeling) een deel van de goederen zou kunnen opeisen.7
Een afgeleide onwaardigheid is naar Nederlands recht onbekend. Daar staat tegenover dat de rechter wel kan ingrijpen op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.8