Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/5.3
5.3 Remedies
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692182:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Krans 2010, p. 5. Ancery 2012/169.
Meijer 2014, p. 39.
HvJ 16 december 1976, respectievelijk C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191 (Comet) en C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188 (Rewe). Zie ook HvJ 14 december 1995, NJ 1997, 116(Van Schijndel).
Vgl. Keus 2010, p. 6. Keus duidt het nationale recht mede om die reden aan als ‘voertuig’ voor het Unierecht. Meijer spreekt over het nationale recht als ‘facilitator’ van het Unierecht, zie Meijer 2014, p. 39. Zie ook Aronstein 2019, p. 241, die ook aantekent dat de nationale procedurele autonomie in de loop der jaren is ingeperkt en dat er ook remedies noodzakelijk zijn geweest die met de toepassing van nationale regels niet zouden zijn bereikt. Ook Aronstein 2019a, p. 203 e.v. Zie verder Wilman 2014, p. 29 e.v. en Brüggemeier 2018, p. 100 e.v.
Keus 2010, p. 61, Krans 2010, p. 5, Van Harten 2011, p. 36 e.v., Vrendenbarg 2018/35. Ancery wijst erop dat de toets aan het gelijkswaardigheids- en effectiviteitsbeginsel alleen plaatsvindt in gevallen van een ‘indirecte botsing’ tussen het nationale recht en het Unierecht. Daaronder verstaat hij de situatie waarin het nationale recht niet voorziet in een situatie die tot een ander materieelrechtelijk rechtsgevolg leidt dan het Unierecht, maar waarin het de effectuering van het aan het Unierecht ontleende recht belemmert. Bij een directe botsing tussen het nationale recht en het Unierecht, waarin dus de rechtsgevolgen uiteenlopen, dient het Unierecht op grond van het Simmenthal-arrest te prevaleren. Ancery 2012/171. Hierover ook Stuij 2020. Meest recent: HvJ 17 november 2022, zaak C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895 (Harman International Industries/AB).
Vgl. Wilman 2014/26.
Hierover: Krans & Nylund 2020, p. 5 e.v. HvJ 16 december 1976, respectievelijk C-45/76 ECLI:EU:C:1976:191 (Comet) en C-33/76 ECLI:EU:C:1976:188 (Rewe).
Brüggemeier 2018, p. 100. Ancery 2012/171.
McDonnel 2018, p. 447.
Wilman 2014, p. 37.
Hierover nader: Meijer 2014, p. 40 e.v. Krans 2010, p. 6 en Asser/Hartkamp 3-I 2018/ 109 e.v.
Vgl. HvJ 26 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:537 (Kuhar); HvJ 17 november 2022, zaak C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895, par. 68 (Harman International Industries/AB).
HvJ 21 november 2021, C-497/20, ECLI:EU:C:2021:1037, par. 62 (Randstad Italia); HvJ 17 november 2022, zaak C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895(Harman International Industries/AB).
Vgl. Van Duin 2020, p. 42.
Stuij 2020/278. Ancery 2012/172.
Aronstein 2019, p. 236.
In gelijke zin Prechal & Widdershoven 2011, p. 39.
Wilman 2014, p. 47.
174. Bij de verzekering van de rechten die uit het Unierecht voortvloeien is de nationale rechter aangewezen op zijn eigen procesrechtelijke voorschriften.1 Het Unierecht geeft geen algemeen geldende regels van procesrecht om binnen de nationale rechtsorde rechten, gebaseerd op het Unierecht, af te dwingen.2 Al in 1976 overwoog het Hof van Justitie in de zaken Comet en Rewe dat het bij het ontbreken van regels van gemeenschapsrecht aan de nationale rechtsorde is de bevoegde rechters aan te wijzen en de procedurele voorwaarden te scheppen waaronder burgers hun rechten uit het gemeenschapsrecht kunnen afdwingen.3 Dat stelsel brengt mee dat in beginsel ook uit het nationale (proces)recht voortvloeit welke remedies kunnen worden aangewend bij een (potentiële) schending van Unierechtelijke aanspraken.4 Dat systeem, ook wel omschreven als het systeem van procedurele of processuele autonomie, is echter wel onderworpen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit.5
175. Het systeem van procedurele autonomie brengt tot uitdrukking dat het Unierecht is aangewezen op het nationale recht voor middelen om dat Unierecht ten uitvoer te leggen. Het nationale recht is op die manier dienstbaar aan het Unierecht en het Unierecht is tegelijkertijd afhankelijk van het nationale recht. Die systematiek brengt als uitgangspunt ook mee dat het Unierecht niet beoogt om op het niveau van remedies tot harmonisatie te komen. Evenmin beoogt het nieuwe remedies in het leven te roepen die niet al in het nationale recht bestaan.6 Dat gegeven laat onverlet dat het beginsel van procedurele autonomie volgens het Hof van Justitie in het Rewe-arrest bestaat bij de afwezigheid van Unierechtelijke regels op een bepaald onderwerp. Als dergelijke regels wel bestaan, is de vrijheid van de lidstaten nadrukkelijk beperkt.7
176. De vrijheid van de lidstaten wordt, als gezegd, ook beperkt door de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit (doelmatigheid). Het beginsel van gelijkwaardigheid brengt, kort samengevat, mee dat het nationale recht het Unierecht niet ongunstiger mag behandelen dan vergelijkbare vorderingen of rechten uit het nationale recht.8 Het is een toepassing van het non-discriminatiebeginsel op grond van nationaliteit op het gebied van de procedureregels die de toepassing van het Unierecht verzekeren.9 Het beginsel geldt niet alleen voor de procedureregels, maar ook voor de toe te passen remedies.10
177. Het beginsel van effectiviteit is voor de vraag welke eisen aan remedies kunnen worden gesteld belangrijker en brengt mee dat het nationale recht de uitoefening van rechten uit het Unierecht niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken.11 De vraag of dat het geval is, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van een bepaling in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties en met het verloop van de bijzondere kenmerken van die procedure. Daarbij moet vervolgens rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.12 Het effectiviteitsbeginsel verplicht lidstaten er echter niet toe om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd, of wanneer de justitiabelen slechts toegang tot de rechter kunnen krijgen door onrechtmatig te handelen.13
178. Het beginsel van effectieve rechtsbescherming enerzijds en de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit hangen samen, maar komen niet volledig overeen. Het beginsel van effectieve rechtsbescherming heeft in de eerste plaats relevantie voor het bestaan van een rechtsvordering of remedie: een justitiabele mag niet met lege handen staan en dient te kunnen beschikken over middelen om zijn rechten geldend te maken.14 Het beginsel van effectieve rechtsbescherming werkt dus positief: de lidstaten moeten erin voorzien dat rechten geldend kunnen worden gemaakt. De beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit hebben betrekking op de situatie waarin er regels bestaan die de effectuering van een vordering of van de remedie bemoeilijken.15 Zij strekken ertoe die regels langs de lat van de gelijkwaardigheid en de effectiviteit te leggen. Het gaat dan om wat Ancery ‘procesregels’ noemt en die bijvoorbeeld termijnen bepalen. Dergelijke procesregels dienen aan Rewe en Comet te worden getoetst.
179. Aronstein vat het effectiviteitsbeginsel iets breder op dan hiervoor omschreven. Het effectiviteitsbeginsel is volgens haar uitgegroeid tot een beginsel dat veel breder wordt toegepast dan alleen in relatie tot nationale regelingen. Het beginsel eist in haar visie dat de volle werking en het nuttig effect van het Unierecht gewaarborgd worden in onder het Unierecht vallende gebieden en dat de rechtssubjecten van het Unierecht geen regels toepassen die uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maken.16 Aronstein ziet het beginsel van effectieve rechtsbescherming dan ook als een aanvulling op en een uitvloeisel van het effectiviteitsbeginsel, in die zin dat voorzien moet worden in een passende remedie indien een recht niet (meer) kan worden geëffectueerd.17 Ook volgens Wilman overlappen de beginselen van effectieve rechtsbescherming en effectiviteit elkaar.18
180. Voor de centrale vraag van mijn boek is relevant dat per saldo door het Unierecht in de situatie waarin er geen Unierechtelijke regels zijn gegeven, aan het nationale recht wordt overgelaten om te bepalen welke remedies er zijn. Die vrijheid wordt beperkt in de gevallen waarin door het Unierecht wel wordt bepaald welke middelen een justitiabele dient te hebben om zijn rechten te effectueren. De vrijheid van de lidstaten wordt verder beperkt door de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit én door het beginsel van effectieve rechtsbescherming: een burger mag in geen geval met lege handen staan en dient te beschikken over middelen om zijn rechten geldend te maken. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord welke specifieke eisen aan een effectieve remedie mogen worden gesteld en of er ook aanspraak bestaat op een preventieve remedie.