Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.6
3.4.3.6 De meeste geschikte waarderingsmethode voor de fiscale openingsbalans
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630512:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Bruijsten, Eijsden, Elsweier en Van der Geld betogen dat het belang van deze eerste voorwaarde is gelegen in de mogelijkheid tot afschrijving. De waarde waarvoor een vermogensbestanddeel op de openingsbalans wordt opgenomen bepaalt immers ook (mede) de waarde waarover in de daaropvolgende periode kan worden afgeschreven. Een te hoge waarde zou zodoende een extra concurrentievoordeel kunnen betekenen voor de overheidsorganisaties die belastingplichtig worden, ten opzichte van particuliere ondernemingen die vanaf het begin belastingplichtig zijn geweest. Daarnaast is de openingsbalanswaarde van invloed op de eventuele boekwinst (of boekverlies) die bij verkoop van het desbetreffende vermogensbestanddeel wordt gerealiseerd. Een te lage waardering heeft een soortgelijk, hoewel tegenovergesteld, effect.
Uit de vorige paragrafen blijkt dat de wetgever en de rechtsprekende macht weinig concrete handvatten hebben gegeven voor de waardering van vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans. In de literatuur wordt daarom aangesloten bij de volgende door S.A. Stevens geformuleerde uitgangspunten:
De totaalwinst moet op juiste wijze zijn vastgesteld;1
Het moet resultaat georiënteerd zijn;
De vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd binnen de context van de bestaande onderneming;
Alternatieve aanwendingsmogelijkheden zijn slechts van belang voor zover deze voor een belastingplichtige realiteitswaarde hebben;
Bij de waardering moet in beginsel worden uitgegaan van de continuïteit van de bestaande onderneming en het voortdurende gebruik van vermogensbestanddelen binnen die onderneming, tenzij er een realistische mogelijkheid bestaat dat het vermogensbestanddeel zal worden verkocht;
Het waardebegrip en de waarderingsmethode moeten objectief zijn;
Het waardebegrip en de waarderingsmethode dienen praktisch en hanteerbaar te zijn.
Mijns inziens kan inderdaad bij deze richtlijnen worden aangesloten, waarbij het eerste uitgangspunt – de totaalwinst moet op de juiste wijze worden bepaald – veruit het belangrijkste is. Bij de waardering van vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans staat dit uitgangspunt immers voorop. Ten aanzien van het tweede uitgangspunt, geldt mijns inziens echter dat niet zonder meer van de dcf-methode moet worden uitgegaan. Er is immers sprake van een prospectieve berekening en hierdoor kunnen voordelen die toerekenbaar zijn aan de bedrijfsuitoefening in de belaste periode aan de onbelaste periode worden toegerekend. Ook voor incourante vermogensbestanddelen kan niet altijd worden aangesloten bij de dcf-methode. Om te kijken welke waarderingsmethode voor incourante vermogensbestanddelen het meest geschikt is, zal moeten worden beoordeeld waarom er geen afzetmarkt is. Als dit het geval is, omdat er een marktmutatie heeft plaatsgevonden, dan is het terecht om dit verlies toe te rekenen aan de periode waarin de marktmutatie is ontstaan en de dcf-methode hiervoor te gebruiken. Voor vermogensbestanddelen waar geen afzetmarkt voor is, omdat ze dusdanig specifiek zijn dat het vermogensbestanddeel alleen geschikt is voor de belastingplichtige, kan mijns inziens niet worden uitgegaan van de indirecte opbrengstwaarde, maar is de actuele kostprijs, waarbij rekening is gehouden met de veroudering, een betere waarderingsmethode. Hierbij kan worden gedacht aan een investering van een maatschappelijke onderneming.
Door toepassing van de uitgangspunten 3 en 4 wordt bij de waardering op de fiscale openingsbalans alleen rekening gehouden met gebruiksmogelijkheden die voor de onderneming een realiteitswaarde hebben. Hierdoor kan bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met de waarde op een illegale markt.
Gezien het doel van de fiscale openingsbalans dient bij courante goederen te worden gekeken naar de directe opbrengstwaarde. Bij deze goederen kan de vermogensmutatie die toerekenbaar is aan de onbelaste c.q. belaste periode worden vastgesteld en is realisatie van dat voordeel mogelijk. Als er een relatief korte periode zit tussen het moment van uiteindelijke verkoop en de waardering op de fiscale openingsbalans, dan is de uiteindelijke verkoopprijs een belangrijke indicator voor de waarde. Dit wordt ondervangen door uitgangspunt 5. Tot slot ondervangen uitgangspunt 6 en 7 dat het systeem onnodig complex wordt. Gezien het grote belang van de fiscale openingsbalans, is het mijns inziens echter wel legitiem dat de waardering ook nog wordt getoetst aan het concrete doel van de sfeerovergang (het op een juiste wijze bepalen van de totaalwinst).