Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.6.4
2.6.4 Een niet-verschenen verweerder
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378229:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 19 BetVo is tekstueel gelijk aan art. 15 Haags Betekeningsverdrag 1965. Onder dit verdrag geldt de afgifte als een geldige wijze van kennisgeving van een stuk. De afgifte is echter niet een van de door de verordening geregelde wijzen van betekening of kennisgeving. De afgifte van een stuk is derhalve onder de verordening slechts mogelijk, indien deze wijze door het recht van de ontvangende lidstaat is toegestaan. Zie P. Vlas, J.D. Boon, TCR 2002, p. 6 en L Strikwerda, WPNR 6458 (2002), p. 801. Zie ook L Strikwerda, 'De EG-Betekeningsverordening en het recht op wederhoor', in: D.C. Buys e.a. (red.), Mok-aria, Opstellen aangeboden aan Prof mr. M.R Mok ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag, Deventer: Kluwer 2002, p. 329-338 (i.h.b. p. 332).
De verordening bevat geen definitie van de term 'tijdig'. Aangenomen moet derhalve worden dat de tijdigheid betrekking heeft op de periode tussen de betekening of kennisgeving aan de verweerder in de aangezochte lidstaat en de eerst dienende dag. Ten aanzien van art. 15 Haags Betekeningsverdrag 1965 beveelt de Werkgroep IPR van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak de termijn van vier weken voor deze periode aan om van een tijdige betekening te kunnen spreken. Zie Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EG-Betekeningsverordening, Aant. 9.
Ten aanzien van art. 19 lid 2 BetVo heeft Nederland een regeling in art. 7 Uitvoeringswet getroffen.
Deze termijn bedraagt voor Nederland op grond van art. 7 lid 3 Uitvoeringswet één jaar.
NJ 1987, 764 (WHH).
Art. 15 lid 1 geeft een met art. 19 lid 1 BetVo vergelijkbare regeling.
NJ 2003, 113 (PV).
Vgl. art. 56 lid 3 Rv, dat bij een betekening aan de procureur in de vorige instantie in zin van art. 63 lid 1 Rv alsnog vereist dat de deurwaarder tevens een afschrift van de dagvaarding dan wel een vertaling daarvan aan de ontvangende instantie doet toekomen. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003 zal aan art. 56 lid 3 Rv worden toegevoegd dat dit afschrift door de deurwaarder binnen 14 dagen aan de ontvangende instantie ter betekening aan de betrokkene wordt verzonden. Tevens wordt mogelijk gemaakt dat het afschrift bij aangetekende post aan de betrokkene wordt verzonden (Kamerstukken 12004/05, 28 863, A, p. 4, onder D).
De Hoge Raad overweegt dan ook in r.o. 2.7 dat art. 19 BetVo niet tot doel heeft aan de aanlegger alsnog de mogelijkheid tot een nieuwe betekening te bieden, maar dat deze bepaling slechts tot doel heeft de aanlegger de mogelijkheid te bieden om aan te tonen dat de betekeningsvoorschriften in acht zijn genomen.
Art. 19 BetVo bevat een regeling voor de situatie dat een stuk ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat gestuurd had moeten worden en de zich in een andere lidstaat bevindende verweerder die geadresseerde van het te betekenen of kennis te geven stuk is, in de procedure niet is verschenen. Dit artikel heeft tot doel de bescherming van de verweerder die zich in een andere lidstaat bevindt. De rechter moet ingevolge art. 19 lid 1 BetVo de procedure aanhouden totdat is gebleken dat hetzij de betekening of kennisgeving van het stuk is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat geldende regels, hetzij het stuk aan de verweerder in persoon dan wel aan zijn woonplaats is afgegeven volgens één der in de verordening geregelde wijzen en de betekening of kennisgeving, respectievelijk de afgifte1, zo tijdig is geschied dat de verweerder voldoende tijd heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden.2
Art. 19 lid 2 BetVo bepaalt dat elke lidstaat bevoegd is te verklaren dat zijn rechters in afwijking van art. 19 lid 1 BetVo een beslissing kunnen geven, ook indien geen bewijs van de betekening of kennisgeving dan wel van de afgifte is ontvangen. Deze mogelijkheid is echter aan een tweetal voorwaarden gebonden. Ten eerste, het te betekenen of kennis te geven stuk is op één der in de verordening geregelde wijzen naar een andere lidstaat gezonden. Ten tweede, sedert de toezending van dat stuk is een bepaalde termijn verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval wordt vastgesteld, doch deze termijn moet ten minste zes maanden bedragen. Ten derde, er moet worden aangetoond dat in weerwil van alle redelijke inspanningen die daartoe bij de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat zijn aangewend, geen bewijs van betekening kon worden verkregen.3 Wordt de verweerder in een dergelijk geval bij verstek veroordeeld en is de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verlopen, dan kan de rechter ingevolge art. 19 lid 3 BetVo de verweerder op diens verzoek een nieuwe termijn voor het instellen van een rechtsmiddel toestaan. Het verzoek is slechts ontvankelijk indien het binnen een redelijke termijn is gesteld4 en de grieven, naar het aanvankelijk oordeel van de rechter, niet van alle grond zijn ontbloot.
Nu de EG-Betekeningsverordening tekstueel op veel punten gelijk is aan het Haags Betekeningsverdrag 1965, rijst de vraag, of onder de werking van de verordening de betekening aan het kantoor van de procureur in de vorige instantie is toegestaan. Met andere woorden, heeft de betekening aan het kantoor van de procureur in de vorige instantie een geldige betekening in de zin van de EG-Betekeningsverordening tot gevolg? De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 juni 19865 geoordeeld dat onder de werking van het Haags Betekeningsverdrag de betekening aan de procureur in de vorige instantie niet met zich meebrengt dat het verdrag opzij wordt gezet. Is het verdrag van toepassing en is de opgeroepen partij niet verschenen, dan kan geen verstek worden verleend totdat is gebleken dat aan art. 15 lid 1 Haags Betekeningsverdrag is voldaan.6 De betekening van het stuk aan het kantoor van de procureur heeft wel betekenis voor de beantwoording van de vraag of tijdig een rechtsmiddel is ingesteld. De rechter kan desnoods een nieuwe dag bepalen waartegen de wederpartij opnieuw conform het Haags Betekeningsverdrag 1965 opgeroepen wordt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2003 beslist dat een dergelijke gang van zaken onder de werking van de EG-Betekeningsverordening niet is toegestaan.7 Dit hangt samen met het feit dat de verordening een ander systeem van de betekening en kennisgeving van stukken kent dan het genoemde verdrag. Onder de verordening is de voltooiing van de betekening afhankelijk van de wet van de lidstaat waar zich de persoon bevindt waaraan het stuk betekend moet worden. Derhalve leidt onder de EG-Betekeningsverordening de betekening aan het kantoor van de procureur in de vorige instantie niet tot een rechtsgeldige betekening in de zin van de verordening. Een dergelijke betekening kan slechts leiden tot het veiligstellen van bepaalde nationale termijnen in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd, mits echter een aanvang met de betekening in het buitenland wordt genomen.8 De Hoge Raad geeft eveneens aan dat indien de verzending van het stuk naar een andere lidstaat uitblijft, er geen ruimte is voor de toepassing van art. 19 BetVo. Er heeft immers geen oproeping van de zich in een andere lidstaat bevindende wederpartij plaatsgevonden. Derhalve kan er ook geen nieuwe termijn voor de verzending van het stuk worden gesteld.9