Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.2
3.4.2 Is waarde in het economische verkeer een absoluut begrip?
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630384:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Berkhout komt tot de conclusie dat het waarde in het economische verkeer begrip in 35 fiscale regelingen terugkomt. Berkhout 2015.
Meussen 2009.
Aanhangsel Handelingen II 1976/77, Kamervraag 939.
Van Dijck 1963.
Antal.
Meussen 1997, pagina 26.
Van Mourik, pagina 577-582.
S.A. Stevens 2003, pagina 319.
Ook buiten het fiscale recht wordt erkend dat het doel van belang is bij de invulling van het waardebegrip. In IVS 104 Waardegrondslagen, paragraaf 30, artikel 30.5 van de IVS is het volgende bepaald: ‘De aard en bron van de inputparameters voor de taxatie moeten in overeenstemming zijn met de waardegrondslag, en bij de waardegrondslag moet weer rekening worden gehouden met het taxatiedoel. Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende benaderingen en methoden worden gehanteerd om tot een waardeoordeel te komen, mits daarbij gegevens worden gebruikt die aan de markt ontleend zijn (…)’
Berkhout 2015, pagina V en VI.
Berkhout en Van der Heijden 2017.
Uit de jurisprudentie blijkt dat voor het belastingrecht taxaties niet leidend zijn. Een aansprekend voorbeeld is te vinden in het Chinese pot arrest (zie tevens paragraaf 3.4.3.2.1). In casu waren er diverse waarderingsrapporteren opgesteld door gerenommeerde partijen, maar uiteindelijk is het aan de belastingrechter om een oordeel te vellen over de waarde voor de toepassing van het successierecht (thans erfbelasting). A-G IJzerman merkt in zijn conclusie hierover het volgende op ‘Bij een waardering in goede justitie kan de rechter in redelijkheid zijn eigen weg gaan, zonder verplichting tot motivering in meer dan beperkte mate.’
Het begrip waarde in het economische verkeer komt op veel plaatsen in de fiscale wetgeving terug.1 Van Dijck en Meussen hebben de uitlatingen over het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ in de literatuur onderzocht. Ze komen daarbij tot de conclusie dat geen enkele auteur zich heeft gewaagd aan een algemene omschrijving van dit begrip.2 Maar nog los van de vraag hoe de waarde in het economische verkeer moet worden bepaald, komt de vraag op of het begrip waarde in het economische verkeer voor alle wetsbepalingen hetzelfde moet worden uitgelegd. In HR 22 februari 1979, nr. 18 674, BNB 1979/121 heeft de Hoge Raad overwogen dat als de wetgever een term opneemt die ook in andere wetten is opgenomen, er niet zonder meer van moet worden uitgegaan dat deze termen dezelfde betekenis hebben:
‘dat, integendeel, nu de mate waarin in de onderwerpelijke belasting enerzijds en in de Wet op de vermogensbelasting 1964 anderzijds de draagkracht van de belastingplichtigen een rol speelt verschilt, en nu mede dientengevolge het begrip ,,waarde in het economisch verkeer’’ in beide wetten niet geheel dezelfde functie vervult, geenszins kan worden uitgesloten dat de wetgever te dezen een opvatting van dat begrip voor ogen heeft gestaan, waarbij voor de bepaling van die waarde in concreto niet steeds alle van belang zijnde economische factoren in acht zijn te nemen;’
De Hoge Raad laat hierbij dus ook meewegen of al dan niet sprake is van een draagkrachtbelasting. Het draagkrachtbeginsel heeft daarmee invloed op de invulling van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ voor de toepassing van een specifieke wetsbepaling.
De staatssecretaris is ook van mening dat waarde in het economische verkeer moet worden uitgelegd binnen de context van de betreffende wetsbepaling:3
‘Zoals uit het antwoord op de vragen 1 en 2 moge blijken, alsmede uit de voor de toepassing van het begrip waarde in het economisch verkeer ten aanzien van de rijksbelasting gewezen jurisprudentie, behoeven de woorden ‘waarde welke in het economische verkeer kan worden toegekend’, die voorkomen in verschillende belastingwetten (…) niet een gelijke betekenis te bezitten. Het begrip waarde [in het economische verkeer] dient te worden geïnterpreteerd binnen het kader van een concrete wetsbepaling, zodat doel en strekking van de wettelijke regeling optimaal gerealiseerd kunnen worden.
(…) ‘dat de rechter in belastingzaken aan het begrip waarde in het economische verkeer al naar gelang het karakter van de belastingwetten waarin dit begrip wordt gehanteerd, een verschillende uitleg zal geven.’
De staatssecretaris gaat dus nog verder dan de Hoge Raad. Niet alleen elke wet kan een andere invulling van het begrip waarde in het economische verkeer hebben, ook binnen een wet kan de waarde in het economische verkeer anders worden geïnterpreteerd.
Van Dijck heeft in zijn inaugurele rede ‘Fiscale Waardebegrippen’ betoogd dat het begrip waarde in het economische verkeer niet in alle belastingwetten hetzelfde wordt uitgelegd. Voor iedere belastingwet afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld of een eigen – binnen de doelstelling van die wet – passende betekenis kan worden gevonden.4 Hij wijst er tevens op dat kritiekloze overname van waardebegrippen uit aanverwante wetenschappen tot veel verwarring heeft geleid. In reactie hierop is door Antal opgemerkt dat de belastingwetenschap niet slechts autonoom moet zijn ten aanzien van het civiele recht, maar ook ten aanzien van de economie.5
Ook Meussen is van mening dat het begrip niet uniform moet worden uitgelegd. Hij legt dit kernachtig uit en betoogt; ‘Daar waar de econoom tot taak heeft de waarde te verklaren, is het de belastingkunde die de inhoud van een waardebegrip voor een concrete belastingwet bepaalt. Elk waardebegrip dient dan ook te worden getoetst aan het concrete doel van een bepaalde belastingwet. Aan de diverse belastingwetten ligt namelijk geen algemeen waardebegrip ten grondslag.’6Van Mourik pleit daarom voor de introductie van het begrip rechtssfeerwaarde. In dat geval wordt de waarde bepaald met inachtneming van de rechtssfeer waarin het goed zich bevindt. Hierdoor is het mogelijk dat er met betrekking tot één goed in verschillende rechtssferen, verschillende waarden worden gehanteerd. De rechtvaardiging zit hem erin dat elk belastingmiddel en elke rechtssfeer een ander doel nastreeft.7
S.A. Stevens heeft verschillende uitgangspunten voor de waardering op de fiscale openingsbalans geformuleerd.8 Hij is derhalve ook van mening dat moet worden gekeken naar een waardebegrip dat past binnen de context van de fiscale openingsbalans.9
Berkhout en Van der Heijden lijken echter terughoudender te zijn. Berkhout wil de behandeling van het waarde in het economische verkeer begrip in de fiscale context vooropstellen, maar wil voor de invulling van het begrip vooral gebruikmaken van diepgewortelde inzichten uit de taxatieleer en gezaghebbende taxatiestandaarden om het begrip meer inhoud te geven en de fiscalist meer houvast te bieden.10 Voor de invulling van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ hanteren Berkhout en Van der Heijden de definitie van de Hoge Raad uit BNB 1969/63, die betrekking had op de vermogensbelasting en alleen gold voor courante goederen. Ook zij merken echter op dat de schatting van de prijs (WEV/marktwaarde) voor waardering op de fiscale openingsbalans aan de hand van meerdere methoden kan plaatsvinden. Uiteindelijk gaat het huns inziens om het schatten van een prijs (bedrag) waartegen vastgoed zou worden overgedragen (WEV: “verkoopprijs … zou zijn besteed”), ongeacht de gehanteerde methode.11
Mijns inziens is ‘waarde in het economische verkeer’ geen absoluut begrip en is er bij een sfeerovergang van een onderneming ruimte voor een eigen invulling van het begrip waarde in het economische verkeer (rechtssfeerwaarde).12 Dit blijkt enerzijds uit BNB 1978/121 waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat als de wetgever een term opneemt die ook in andere wetten is opgenomen er niet zonder meer van moet worden uitgegaan dat deze termen dezelfde betekenis hebben. Maar belangrijker is nog dat de fiscale openingsbalans slechts dient als middel om de totaalwinst te bepalen (het doel). Het gaat om een adequate verdeling van de winst van de onderneming tussen de onbelaste en belaste periode om zo de totaalwinst te kunnen bepalen. Aangezien dit doel dusdanig belangrijk is, dient de waarderingsmethode in overeenstemming te zijn met dit doel. Dit kan door voor de fiscale openingsbalans een aparte rechtssfeerwaarde te gebruiken.