Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.2.3:4.5.2.3 MMA als onrechtmatige en oncontroleerbare opsporingsmethode
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.2.3
4.5.2.3 MMA als onrechtmatige en oncontroleerbare opsporingsmethode
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 7 februari 2005, NJ 2005, 147.
Zie voor een gelijkluidende overweging Rb. Haarlem d.d. 19 februari 2004, LJN A04855. Het gaat hier overigens om een andere zaak.
Hoge Raad 13 juni 2006, NJ 2006, 346.
De Hoge Raad herhaalt deze overweging in zijn arrest van 22 januari 2008, LJN BC1375.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit type verweer wordt gevoerd in de zaak die leidde tot het arrest van het Hof Amsterdam van 7 februari 2005.1 Het hof verwerpt het verweer en overweegt dat het door de politie gebruik maken van informatie van de MMA zijn rechtsgrond vindt in het algemeen taakstellende artikel 2 Politiewet 1993 (oud), nu art. 3 Politiewet.2 Voorts oordeelt het hof dat de informatie van MMA in casu door de politie in nader onderzoek is getoetst en onderbouwd met aanvullende onderzoeksgegevens. De wijze waarop de informatie van MMA op betrouwbaarheid is getoetst, is controleerbaar. Het feit dat de identiteit van de beller van MMA niet bekend wordt en dus niet als getuige kan worden gehoord, levert geen strijd op met art. 6 EVRM of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
In cassatie laat de Hoge Raad het arrest van het hof in stand en overweegt dat de politie anonieme informatie mag gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek.3 Mede gelet hierop overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat het gebruik van de informatie van MMA in het onderhavige geval niet in strijd is met artikel 6 EVRM dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.4 De Hoge Raad acht dit evenmin onbegrijpelijk, gelet op de vaststelling van het hof dat de juistheid van die informatie door de politie is getoetst en onderbouwd met nadere onderzoeksgegevens en de omstandigheid dat het hof de informatie niet voor het bewijs heeft gebruikt. Het gebruik van materiaal van MMA lijkt dus ook door de Hoge Raad als toelaatbaar opsporingsmiddel te worden gezien, al overweegt hij dit niet expliciet.