Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.1.6.c:6.3.1.6.c Invorderingsfaciliteit bij overdracht indirect ab
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.1.6.c
6.3.1.6.c Invorderingsfaciliteit bij overdracht indirect ab
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS345496:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de wet opgenomen invorderingsfaciliteit (art. 25, elfde lid, IW 1990) bij overdracht van een indirect ab tegen een tegenprestatie lager dan de waarde in het economische verkeer (hierna schenking genoemd) heb ik in mijn first-best voorstel niet overgenomen. Naar mijn mening is het niet aan de overheid voor schenkingen een dergelijke faciliteit te bieden (zie uitgebreider paragraaf 6.2.1.1).
In mijn second-best voorstel doe ik aanpassingen teneinde te komen tot een verbetering van de toetsingsresultaten. In paragraaf 6.3.1.4.d heb ik beargumenteerd dat ik vanuit neutraliteitsoogpunt de in art. 4.17c Wet IB 2001 opgenomen doorschuiffaciliteit bij schenking van een direct ab in mijn second- best voorstel wens te behouden. Deze keuze vormt voor mij, tevens vanuit neutraliteitsoogpunt, een argument om de invorderingsfaciliteit bij schenking van een indirect ab ook te behouden, temeer omdat het meer voor de hand ligt een ab in de werkmaatschappij te schenken dan een ab in de holdingvennootschap. Indien een indirect ab wordt geschonken, leidt dit voor de ab-houder tot een dividenduitkering in box 2. Het bedrag van de dividenduitkering wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer verminderd met de tegenprestatie. Voor dit bedrag kan uitstel van betaling worden verkregen. Aan de faciliteit moeten wel aanvullende voorwaarden worden gesteld. Hiervoor sluit ik grotendeels aan bij de in vorige paragrafen aanbevolen invorderingsfaciliteiten. Ook hier geldt dat het gebruik van de faciliteit moet worden beperkt tot die situaties waarbij er onvoldoende middelen zijn om de belasting te voldoen. Een vermogenstoets wijs ik hier op dezelfde gronden af als ik ook voor de andere in dit onderzoek relevante invorderingsfaciliteiten heb gedaan. Mijn voorkeur gaat dan ook uit naar het rentedragend maken van de invorderingsfaciliteit. Zie voor het voorgaande uitgebreider paragraaf 6.2.1.3.a.
Verder ben ik van mening dat de doeltreffendheid, zie ook paragraaf 6.2.1.4. a, wordt verbeterd indien alleen een beroep kan worden gedaan op de invorderingsfaciliteit voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen. Voor het beleggingsvermogen geldt dat dit vermogen in principe vrij beschikbaar is of kan worden gemaakt om de ab-claim te voldoen zonder de continuïteit in gevaar te brengen. Het begrip ondernemingsvermogen kan worden overgenomen uit art. 4.17a, zesde lid, Wet IB 2001 (zie uitgebreid paragraaf 4.2.4.3.d), met uitzondering van de beleggingsmarge (zie voor de motivering paragraaf 6.2.1.4.a). Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aan het slot van de tweede volzin van art. 25, elfde lid, IW 1990 genoemde voorwaarde dat de bezittingen van de vennootschap waarop het ab betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen kan vervallen. In paragraaf 4.3.4.5 is aangegeven dat deze voorwaarde in essentie doeltreffend is, maar dat het probleem is dat de gekozen grens arbitrair is.
Verder geldt dat in art. 25, elfde lid, IW 1990 geen duidelijke keuze wordt gemaakt ten aanzien van de vraag hoe het bedrag waarvoor uitstel wordt gekregen moet worden verminderd. Allereerst moet de belasting in tien gelijke jaarlijkse termijnen worden voldaan (aansluiting doorschuiffaciliteit winstsfeer) maar daarnaast wordt het uitstel nog verminderd indien de begiftigde aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen vervreemdt of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten.
De laatste beëindigingsgrond wil ik laten vervallen, zoals ik heb voorgesteld voor art. 25, negende lid, IW 1990. Ik vind het niet juist het uitstel van de overdrager afhankelijk te laten zijn van de door overnemer genoten reguliere voordelen (zie paragraaf 6.2.1.4.b).
Dat het uitstel moet worden beëindigd indien de verkrijger de aandelen of winstbewijzen vervreemdt die aan het uitstel ten grondslag liggen (art. 3a, vierde lid, onderdeel a, Uitv.reg. IW 1990), acht ik niet logisch. Bij een overdracht tegen schuldigerkenning is dat anders omdat de voortzetter geacht kan worden de schuld aan de oorspronkelijke overdrager af te lossen. Met dat geld kan de overdrager zijn belastingschuld betalen. Bij schenking is dit niet aan de orde. Ondanks het verschil tussen beide vormen van overdracht ben ik er voorstander van om ook hier het uitstel te verminderen als sprake is van een vervreemding van de aandelen of winstbewijzen. Ik zie geen aanleiding een schenking van ab-aandelen gunstiger te behandelen dan een overdracht tegen schuldigerkenning.
De voorwaarde dat de belasting in tien gelijke jaarlijkse termijnen moet worden voldaan is naar mijn mening niet goed te beargumenteren. Er is aangesloten bij art. 25, negende lid, IW 1990 (overdracht tegen schuldigerkenning). Voor deze overdracht tegen schuldigerkenning heb ik aangegeven aan te willen sluiten bij art. 25, achttiende lid, IW 1990. De duur van het uitstel wordt daar gekoppeld aan de overeengekomen aflossingsperiode maar bedraagt maximaal tien jaren. Het uitstel wordt op grond van art. 25, negentiende lid, IW 1990 evenredig beëindigd. Indien versneld wordt afgelost, heeft dit gevolgen voor het uitstel (art. 25, negentiende lid, tweede volzin, onderdeel d, IW 1990). Het voorgaande is hier niet bruikbaar. Er is immers geen aflossingsschema om bij aan te sluiten. Ik stel verder nergens een uitstelregeling voor waarbij in tien gelijke jaarlijkse termijnen moet worden afgelost. Het heeft dan mijn voorkeur aan te sluiten bij art. 25, zeventiende lid, IW 1990 (overlijden De voorwaarde dat de belasting in tien gelijke jaarlijkse termijnen moet worden voldaan is naar mijn mening niet goed te beargumenteren. Er is aangesloten bij art. 25, negende lid, IW 1990 (overdracht tegen schuldigerkenning). Voor deze overdracht tegen schuldigerkenning heb ik aangegeven aan te willen sluiten bij art. 25, achttiende lid, IW 1990. De duur van het uitstel wordt daar gekoppeld aan de overeengekomen aflossingsperiode maar bedraagt maximaal tien jaren. Het uitstel wordt op grond van art. 25, negentiende lid, IW 1990 evenredig beëindigd. Indien versneld wordt afgelost, heeft dit gevolgen voor het uitstel (art. 25, negentiende lid, tweede volzin, onderdeel d, IW 1990). Het voorgaande is hier niet bruikbaar. Er is immers geen aflossingsschema om bij aan te sluiten. Ik stel verder nergens een uitstelregeling voor waarbij in tien gelijke jaarlijkse termijnen moet worden afgelost. Het heeft dan mijn voorkeur aan te sluiten bij art. 25, zeventiende lid, IW 1990 (overlijden winstgenieter). Naar mijn mening moet zoveel mogelijk getracht worden uniformiteit te bereiken tussen de voorwaarden in de verschillende bepalingen. Het uitstel eindigt in art. 25, zeventiende lid, IW 1990 uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaren zijn verstreken (art. 5a, Uitv.reg. IW 1990). Een schenking loopt vooruit op het overlijden. Indien de faciliteit rentedragend wordt gemaakt (marktconform) is er geen aanleiding te veronderstellen dat belastingplichtigen gebruikmaken van de faciliteit indien dat niet nodig is.