Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/9.3:9.3 De aansprakelijkheidsrecht- en verzekeringsrechtpraktijk
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/9.3
9.3 De aansprakelijkheidsrecht- en verzekeringsrechtpraktijk
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296755:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gevolgen van de door mij verdedigde uitleg van art. 6:181 lijken mee te vallen voor de aansprakelijkheidsrecht- en verzekeringsrechtpraktijk. Een verandering van de schadelast is in ieder geval niet aan de orde. Betoogd is niet om eerder een vestiging van aansprakelijkheid voor schade door de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken aan te nemen of juist niet. Dit vraagstuk hangt ook samen met de materiële toepassingsvoorwaarden van de art. 6:173, 174 en 179 zélf (o.a. is sprake van een gebrek in de zaak, werd de schade veroorzaakt door de ‘eigen energie’ van het dier?), waarop deze studie niet ziet. Het onderhavige onderzoek naar art. 6:181 betreft ‘slechts’ de ‘wie-vraag’: het gaat niet erom óf in een voorkomend geval de kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van art. 6:173, 174 en 179 intreedt, maar op wie die aansprakelijkheid dan rust. Voor de aansprakelijkheidsrecht- en verzekeringsrechtpraktijk is van belang dat de uitkomsten van dit onderzoek kunnen leiden tot een verschuiving van bepaalde aansprakelijkheidsrisico’s. Ter illustratie geldt te dien aanzien, wanneer de drie kernvereisten van art. 6:181 nog eens afzonderlijk worden bezien, meer concreet het navolgende.
Met betrekking tot het gebruiksbegrip van art. 6:181 valt vooral de aansprakelijkheid voor dieren van art. 6:179 te noemen. Waar onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis tot nog toe vaste rechtspraak is dat de professionele bewaarder van andermans dier niet kwalificeert als de in art. 6:181 bedoelde ‘gebruiker’, meen ik dat de ze ingevolge art. 6:181 wel belast behoort te zijn met de aansprakelijkheid van art. 6:179. Gelet op de (andersluidende) uitleg die tot op heden aan art. 6:181 wordt gegeven, zou dit leiden tot een verschuiving van aansprakelijkheidsrisico’s: de professionele bewaarder van andermans dier (zoals een asiel, dierenopvang, stalhouder of dierenkliniek) loopt een extra, voorheen niet aan hem toegedicht aansprakelijkheidsrisico, terwijl de in art. 6:179 bedoelde bezitter daardoor meer dan voorheen wordt ontzien. En hoewel in dit onderzoek als gezegd geen finaal standpunt over de positie van de vervoerder in relatie tot art. 6:181 wordt ingenomen, zou de professionele vervoerder van andermans dieren – die immers in zekere zin met de bewaarder op één lijn is te stellen – ingevolge art. 6:181 jo. 179 mogelijk ook vergaander aansprakelijk kunnen zijn dan tot nu toe gedacht. Een en ander zou in de praktijk tot een zwaardere last onder AVB’s kunnen leiden, terwijl daar door de exclusieve werking van art. 6:181 in geval van een particuliere dierenbezitter een verlaging van de schadelast onder AVP’s tegenover staat. Is de bezitter van het dier ook een professional, dan doet zich een verschuiving van aansprakelijkheidsrisico’s van de ene naar de andere AVB voor. Hierbij geldt overigens dat het in mijn ogen niet zo is dat (potentieel) aansprakelijken en de betrokken WA-verzekeraars geen rekening hebben kunnen houden met de mogelijkheid dat een bewaarder van een dier in bepaalde gevallen ingevolge art. 6:181 tóch de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:179 draagt. Zo is in de literatuur inmiddels al meermaals aan de orde gesteld of het categorisch uitsluiten van iedere vorm van bewaren van art. 6:181 wel stand zal houden.1
Voor wat betreft het bedrijfsbegrip van art. 6:181 noem ik in het bijzonder de positie van het vrije beroep en de klassieke overheid. In de door mij bepleite uitleg van art. 6:181 vallen deze organisaties als professionals ‘gewoon’ onder de reikwijdte van art. 6:181. Een tot nog toe wel gehuldigde opvatting is evenwel dat art. 6:181, geïnspireerd op art. 6:171, enkel ziet op ‘typische’ bedrijfsactiviteiten, waaronder dan mede alleen het beroep met bedrijfsmatige trekken en het overheidsbedrijf begrepen kunnen worden. Ook hier heeft art. 6:181 dus een ruimer bereik dan wellicht gedacht. Maar ook hier geldt dat van een ‘cultuuromslag’ in de toepassing van art. 6:181 geen sprake is. Zo wees de wetsgeschiedenis al uit dat art. 6:181 niet beperkt is tot het typische ‘bedrijf’ maar ook betrekking kan hebben op andersoortige organisaties als ziekenhuizen, stichtingen en verenigingen, terwijl de literatuur en rechtspraak over art. 6:181 eveneens in de richting tenderen van toepasselijkheid van art. 6:181 op ook andere ‘organisaties’ dan alleen het traditionele bedrijf. Bovendien kan in dit verband bedacht worden dat de aansprakelijkheid voor hulppersonen van art. 6:170, de juridisch-inhoudelijke ‘tegenhanger’ van art. 6:181, al van oudsher en onbestreden ziet op kort gezegd beroep, bedrijf en overheid. Wellicht dat in de door mij verdedigde toepassing van art. 6:181 kleinschalige organisaties die niettemin voldoende ‘professioneel’ worden geacht, onvoldoende bedacht zijn op de reikwijdte van art. 6:181. Ook hier kan zich derhalve een verschuiving van aansprakelijkheidsrisico’s voordoen tussen afgesloten WA-verzekeringen.
Ten aanzien van het functioneel verband van art. 6:181 geldt dat dit vereiste in de door mij voorgestane benadering mogelijk ruimer wordt uitgelegd dan sommigen voor ogen stond: niet, zoals wel geopperd, aansluiten bij het functioneel verband van het restrictieve art. 6:171 maar bij dat van het royale art. 6:170. De gevolgen hiervan komen evenmin onoverkomelijk voor: het functioneel verband- vereiste van art. 6:181 vervult in de praktijk als zelfstandige toepassingsvoorwaarde namelijk maar een geringe rol van betekenis.
Naast enige veranderingen betreffende de vraag wie wanneer een kwalitatieve aansprakelijkheid draagt, brengt de in dit boek verdedigde toepassing van art. 6:181 mogelijk ook een wijziging mee ten aanzien van wie op grond van art. 150 Rv wat moet bewijzen. Ik volsta hier met de opmerking dat in mijn ogen de uit art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 te destilleren materiële rechtsregel anders dan wel wordt aangenomen niet luidt ‘de bezitter is aansprakelijk, tenzij’, maar ‘de bedrijfsmatige gebruiker is aansprakelijk, bij gebreke waarvan de aansprakelijkheid rust op de bezitter’. De praktische consequenties hiervan werden in dit hoofdstuk zojuist al aangestipt in het kader van ‘bevinding II’ (slot).
Tot slot merk ik op dat ondanks de voornoemde ‘veranderingen’ in de toepassing van art. 6:181, in de verzekeringsportefeuille van (potentieel) aansprakelijken niets behoeft te veranderen: de aansprakelijkheidsrisico’s waarmee zij zich in verband met de art. 6:173, 174, 179 en 181 geconfronteerd kunnen zien, blijven gedekt onder reeds afgesloten AVP’s en AVB’s. Wat hooguit verandert is wie wanneer op deze verzekeringen een beroep moet doen: waar een aansprakelijkstelling op kwalitatieve grondslag voorheen geen kans van slagen werd toegedicht, kan dit uitgaande van de door mij voorgestane uitleg van art. 6:181 wel het geval zijn en vice versa. Voor bepaalde personen die (nog) geen WA-verzekering hebben afgesloten met het oog op de aan art. 6:173, 174 en 179 verbonden aansprakelijkheidsrisico’s, zou het zodoende raadzaam kunnen zijn daartoe alsnog over te gaan (denk bijvoorbeeld aan professionele bewaarders van dieren). Gelet op de vermoedelijke verschuiving van bepaalde aansprakelijkheidsrisico’s zou het aanbeveling kunnen verdienen de noodzaak van bijstelling van polisvoorwaarden en/of premies eens tegen het licht te houden. Het is in ieder geval te hopen dat met het onderhavige onderzoek voor de betrokkenen (benadeelden, (potentieel) aansprakelijken en aansprakelijkheidsverzekeraars) meer duidelijkheid is ontstaan over de toepassing van art. 6:181, en transactiekosten in kwesties die zich rondom deze bepaling afspelen verminderen. Dát is immers ook wat de wetgever naar eigen zeggen (mede) met de invoering van art. 6:181 heeft voorgestaan.