Rechtbank Noord-Holland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13954.
HR, 13-03-2026, nr. 25/02741
ECLI:NL:HR:2026:410
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2026
- Zaaknummer
25/02741
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:410, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1331
ECLI:NL:PHR:2025:1331, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:410
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑08‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑03‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02741
Datum 13 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/364814 / FA RK 25-2217 van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025 en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Bij brief van 2 mei 2025 heeft de griffier van de rechtbank de advocaat van betrokkene als volgt bericht:
“Bijgaand treft u aan een verzoek (aansluitende) zorgmachtiging. Indien uw cliënt(e) er prijs op stelt dat zijn/haar zaak zonder zitting wordt afgedaan, verzoek ik u binnen tien dagen na dagtekening van deze brief een referteverklaring aan de rechtbank te doen toekomen. Uit deze referteverklaring moet blijken dat uw cliënt(e) persoonlijk door u is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van de zaak met een referteverklaring.
Daarnaast dient in de referteverklaring expliciet te worden vermeld dat uw cliënt(e):
kennis heeft genomen van het verzoek en de daarin vermelde vormen en duur van verplichte zorg;
geen verweer voert tegen de toewijzing van het verzoek;
het oordeel over het verzoek overlaat aan de rechtbank;
afstand doet van zijn/haar recht om ter zitting met bijstand van een advocaat te worden gehoord.
Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren.
Indien de rechtbank bovenbedoelde referteverklaring niet binnen tien dagen na dagtekening van deze brief heeft ontvangen, zal een datum worden bepaald voor een behandeling ter zitting.
Bij tijdige indiening van een referteverklaring zal op grond van de verklaring en de inhoud van het dossier worden besloten of het verzoek buiten zitting kan worden afgedaan.”
2.3
Op 10 mei 2025 heeft de rechtbank een referteverklaring ontvangen, die is ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet door betrokkene zelf. De referteverklaring vermeldt onder meer het volgende:
“Hierbij verklaart ondergetekende [advocaat van betrokkene] namens zijn hieronder genoemde cliënt
[betrokkene]
(…)
Dat hij kennisgenomen heeft van het door [GGZ] via de Officier van Justitie bij de Rechtbank Haarlem ingediende verzoekschrift zorgmachtiging aansluitend op een verzoek zorgmachtiging.
Dat hij dit verzoek heeft gelezen en besproken met zijn behandelaar/psychiater/psycholoog/ sociaal psychiatrisch verpleegkundige/ casemanager.
Dat hij over de juridische consequenties heeft gesproken met zijn advocaat fysiek dan wel via telefoon/zoom-/skypeverbinding op 9 mei 2025 en het eens is met het verzoek.
Dat hij het eens is met de inhoud van het verzoekschrift zorgmachtiging, zoals blijkt uit de onderstaande verklaring.
Na overleg met [betrokkene] op 9 mei 2025 kan ik meedelen dat betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord, kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot een zorgmachtiging met een maximale duur van 12 maanden als met betrekking tot de verzochte opname in een accommodatie de volgende clausulering (of een clausulering van vergelijkbare strekking) in de beschikking wordt opgenomen:
[Betrokkene] heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van voormelde vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voortkomt uit de stoornis. De geneesheer-directeur zal – alvorens tot opname te beslissen – de betrokkene (doen) horen en de opname zal alsdan niet langer duren dan nodig is om het dreigend ernstig nadeel af te wenden.”
2.4
De rechtbank heeft, zonder mondelinge behandeling, een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden.1.Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“2.1 Uit de referteverklaring van betrokkene leidt de rechtbank af dat betrokkene het verzoekschrift heeft besproken met de advocaat, dat betrokkene erkent dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek met de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg wordt voldaan, dat betrokkene afziet van het recht te worden gehoord en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
In de referteverklaring is opgenomen dat betrokkene heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van de vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voor[t]komt uit de stoornis. En dat de geneesheer-directeur – alvorens tot opname te beslissen – betrokkene zal (doen) horen en de opname niet langer zal duren dan nodig is om het ernstig nadeel af te wenden. De rechtbank overweegt dat de door betrokkene voorgestane werkwijze valt binnen de gebruikelijke werkwijze binnen een zorgmachtiging, zodat aan de voorwaarden van betrokkene voor de referte is voldaan.
Gelet op de inhoud van de stukken en de referteverklaring, acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 2.1, waarin de rechtbank uit de referteverklaring van 10 mei 2025 heeft afgeleid dat betrokkene afziet van zijn recht te worden gehoord op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.1
De onderdelen 1.2 en 1.3 klagen onder meer dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat het beginsel van hoor en wederhoor een fundamenteel recht is van een betrokkene die via een verleende zorgmachtiging in zijn persoonlijke vrijheid wordt aangetast, en dat de Wvggz geen vorm van afstand van het recht om te worden gehoord kent. De rechtbank had daarom geen rechtsgevolg mogen verbinden aan de referteverklaring, aldus de onderdelen.
3.2.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen.2.
3.2.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen volgt dat afstand door de betrokkene van het recht om te worden gehoord op het verzoek om een zorgmachtiging, als zodanig niet onverenigbaar is met de Wvggz. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klachten, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen daarom.
3.2.4
Opmerking verdient nog het volgende. Indien, zoals in dit geval, na het overleggen van een schriftelijke referteverklaring op het verzoek om een zorgmachtiging wordt beslist zonder dat tegen dit verzoek verweer is gevoerd en zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, slechts worden aangenomen dat de betrokkene niet bereid is zich op het verzoek te doen horen, indien het ontbreken van deze bereidheid ondubbelzinnig blijkt uit de referteverklaring. Hiervoor is niet voldoende dat in de referteverklaring slechts is opgenomen dat de betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord kan instemmen met toewijzing van het verzoek.
3.3.1
De onderdelen 1.4-1.6 klagen onder meer dat het oordeel van de rechtbank in rov. 2.1 onbegrijpelijk is omdat uit de brief van 2 mei 2025 volgt dat de referteverklaring ondertekend diende te worden door betrokkene, terwijl de referteverklaring alleen door de advocaat van betrokkene is ondertekend.
3.3.2
Deze klacht slaagt. In de brief van 2 mei 2025 van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene is vermeld “Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren” (zie hiervoor in 2.2). De referteverklaring van 10 mei 2025 is ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet door betrokkene zelf (zie hiervoor in 2.3). In het licht hiervan is onbegrijpelijk dat de rechtbank de referteverklaring toereikend heeft geacht om op het verzoek te beslissen zonder betrokkene te horen.
3.4
Het slagen van de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klacht brengt mee dat de onderdelen 1.4-1.6 voor het overige geen behandeling behoeven. Ook onderdeel 3 kan onbehandeld blijven.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2026
Vgl. o.a. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1797, rov. 3.2; HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972, rov. 3.2.2.
Conclusie 05‑12‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02741
Zitting 5 december 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Holland,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend, zonder het verzoek van de officier van justitie mondeling te behandelen. De rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling op grond van een referteverklaring van betrokkene, welke verklaring uitsluitend is ondertekend door diens advocaat.
1.2
Daarmee wijkt de rechtbank af van haar eigen instructie in haar brief aan advocaten, waarin (de griffier van) de rechtbank uitdrukkelijk erop wijst dat de betrokkene die er prijs op stelt dat de zaak zonder zitting wordt afgedaan de referteverklaring persoonlijk en in aanwezigheid van de advocaat dient te ondertekenen. Mijns inziens stelt het cassatiemiddel terecht aan de orde dat deze tegenstrijdigheid niet voldoende begrijpelijk is. Ik concludeer daarom tot vernietiging.
1.3
1.4
Volgens mij staat de Wvggz noch het EVRM eraan in de weg dat een betrokkene afstand kan doen van zijn recht om gehoord te worden. Wel acht ik het minder wenselijk dat kennelijk sprake is van lokaal beleid, in de zin dat de rechtbanken onderling verschillende uitgangspunten hanteren ten aanzien van (de mogelijkheid tot het indienen van) referteverklaringen en de beoordeling daarvan. Uiteraard zal de behandelend rechter in elke concrete zaak moeten beoordelen of is voldaan aan de wettelijke vereisten. Toch meen ik dat het aanbeveling kan verdienen dat landelijk dezelfde uitgangspunten gelden.
2. Feiten en procesverloop1.
2.1
Betrokkene is een 39-jarige man die lijdt aan een psychische stoornis. Sinds 12 juli 2023 zijn ten aanzien van hem onafgebroken crisismaatregelen en zorgmachtigingen verleend. Ook voor die tijd zijn ten aanzien van betrokkene meerdere zorgmachtigingen en, onder de Wet Bopz (oud), voorlopige machtigingen en inbewaringstellingen verleend. Betrokkene is in november 2024 voor het laatst opgenomen. Hij is onder behandeling bij een FACT-team, woont alleen in een appartement en heeft een uitkering.
2.2
Bij verzoekschrift, binnengekomen op 2 mei 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen, voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur.
2.3
Op 2 mei 2025 heeft de griffier van de rechtbank een brief gestuurd aan de advocaat van betrokkene met de volgende inhoud (arceringen in origineel):
“Bijgaand treft u aan een verzoek (aansluitende) zorgmachtiging. Indien uw cliënt(e) er prijs op stelt dat zijn/haar zaak zonder zitting wordt afgedaan, verzoek ik u binnen tien dagen na dagtekening van deze brief een referteverklaring aan de rechtbank te doen toekomen. Uit deze referteverklaring moet blijken dat uw cliënt(e) persoonlijk door u is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van de zaak met een referteverklaring.
Daarnaast dient in de referteverklaring expliciet te worden vermeld dat uw cliënt(e):
- kennis heeft genomen van het verzoek en de daarin vermelde vormen en duur van verplichte zorg;
- geen verweer voert tegen de toewijzing van het verzoek;
- het oordeel over het verzoek overlaat aan de rechtbank;
- afstand doet van zijn/haar recht om ter zitting met bijstand van een advocaat te worden gehoord.
Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren.
Indien de rechtbank bovenbedoelde referteverklaring niet binnen tien dagen na dagtekening van deze brief heeft ontvangen, zal een datum worden bepaald voor een behandeling ter zitting.
Bij tijdige indiening van een referteverklaring zal op grond van de verklaring en de inhoud van het dossier worden besloten of het verzoek buiten zitting kan worden afgedaan.”
2.4
Op 10 mei 2025 heeft de rechtbank een door de advocaat van betrokkene ondertekende verklaring ontvangen, met de volgende inhoud (arceringen in origineel):
“REFERTEVERKLARING WVGGZ
(…)
Hierbij verklaart ondergetekende mr. A.R. Oosthout namens zijn hieronder genoemde cliënt
[naam betrokkene]
Geboren op (…)
wonende aan de (…)
Dat hij kennisgenomen heeft van het door [GGZ] via de Officier van Justitie bij de Rechtbank Haarlem ingediende verzoekschrift zorgmachtiging aansluitend op een verzoek zorgmachtiging.
Dat hij dit verzoek heeft gelezen en besproken met zijn behandelaar/psychiater/psycholoog/ sociaal psychiatrisch verpleegkundige; casemanager.
Dat hij over de juridische consequenties heeft gesproken met zijn advocaat fysiek dan wel via telefoon/zoom-/skypeverbinding op 9 mei 2025 en het eens is met het verzoek.
Dat hij het eens is met de inhoud van het verzoekschrift zorgmachtiging, zoals blijkt uit de onderstaande verklaring.
Na overleg met de heer [naam betrokkene] op 9 mei 2025 kan ik meedelen dat betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord, kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot een zorgmachtiging met een maximale duur van 12 maanden als met betrekking tot de verzochte opname in een accommodatie de volgende clausulering (of een clausulering van vergelijkbare strekking) in de beschikking wordt opgenomen:
[naam betrokkene] heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van voormelde vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voortkomt uit de stoornis. De geneesheer-directeur zal – alvorens tot opname te beslissen – de betrokkene (doen) horen en de opname zal alsdan niet langer duren dan nodig is om het dreigend ernstig nadeel af te wenden.
Den Haag, 10 mei 2025
[handtekening advocaat]
Mr. A.R. Oosthout.”
2.5
De rechtbank heeft het verzoek niet mondeling behandeld en heeft bij beschikking van 15 mei 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor diverse vormen van zorg voor de duur van twaalf maanden, geldig tot en met 15 mei 2026 (hierna: de bestreden beschikking).
2.6
Namens betrokkene is op 12 augustus 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Betrokkene stelt aan de orde dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de ingediende referteverklaring en daarmee is voorbijgegaan aan haar onderzoeks- en hoorplicht als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz (onderdeel 1), en dat uit de bestreden beschikking niet blijkt of de rechtbank heeft beoordeeld of de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld voldoet aan de vereisten uit art. 5:7 Wvggz (onderdeel 2), gevolgd door een voortbouwklacht (onderdeel 3).
Onderdeel 1
Inleiding
3.2
Het eerste onderdeel richt zich tegen rov. 2.1 van de bestreden beschikking:
“2.1 Uit de referteverklaring van betrokkene leidt de rechtbank af dat betrokkene het verzoekschrift heeft besproken met de advocaat, dat betrokkene erkent dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek met de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg wordt voldaan, dat betrokkene afziet van het recht te worden gehoord en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
In de referteverklaring is opgenomen dat betrokkene heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van de vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voor[t]komt uit de stoornis. En dat de geneesheer-directeur – alvorens tot opname te beslissen – betrokkene zal (doen) horen en de opname niet langer zal duren dan nodig is om het ernstig nadeel af te wenden. De rechtbank overweegt dat de door betrokkene voorgestane werkwijze valt binnen de gebruikelijke werkwijze binnen een zorgmachtiging, zodat aan de voorwaarden van betrokkene voor de referte is voldaan.
Gelet op de inhoud van de stukken en de referteverklaring, acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen.”
3.3
Onderdeel 1 bevat klachten over de reikwijdte van de hoorplicht als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz en stelt de toelaatbaarheid van de referteverklaring aan de orde.
3.4
Voordat ik het onderdeel bespreek, sta ik stil bij de hoorplicht uit art. 6:1 Wvggz en bij de praktijk van referteverklaringen.
De hoorplicht
3.5
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene mondeling hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen.
3.6
Deze bepaling bevat de hoorplicht van de rechter: na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet de rechter de betrokkene horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat is of niet bereid is. De hoorplicht is dus niet absoluut.
3.7
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad2.dat het hier gaat om méér dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. De rechter die van oordeel is dat de betrokkene niet bereid is om te worden gehoord, dient dat in zijn beschikking vast te stellen met vermelding van de gronden waarop dat oordeel berust. Evenwel is niet noodzakelijk dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard die bereidheid te missen; voldoende is dat het naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.
3.8
In de rechtspraak van de Hoge Raad is het voorschrift uit art. 6:1 lid 1 Wvggz vooral aan bod gekomen in zaken waarin de betrokkene niet verscheen op de – wel gehouden – mondelinge behandeling.3.De rechterlijke vaststelling dat de ter zitting afwezige betrokkene niet bereid is zich te doen horen, veronderstelt dan in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Daarbij speelt een rol of de betrokkene behoorlijk is opgeroepen, hoewel niet is uitgesloten dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Bij gebreke van dergelijke vaststellingen mag de rechtbank niet ervan uitgaan dat de betrokkene niet gehoord wil worden.4.Ook niet indien de advocaat van de betrokkene, voor wie de betrokkene onbereikbaar was, zich niet tegen voortzetting van de mondelinge behandeling heeft verzet.5.
3.9
Bekendheid van de betrokkene met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling is echter nog niet voldoende om uit diens afwezigheid te kunnen afleiden dat de betrokkene ‘dus’ niet bereid zou zijn zich te doen horen.6.Daartoe is meer nodig. Dat blijkt onder meer uit een uitspraak van december 2024 in een zaak waarin naar aanleiding van ter zitting gedane mededelingen van de advocaat van de betrokkene7.de rechtbank had vastgesteld dat de betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon uit die vaststelling niet worden afgeleid dat de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats, ontbrak.8.Een vergelijkbare situatie deed zich voor in een zaak waarin de Hoge Raad in november 2025 casseerde: de betrokkene was op de hoogte van de zitting en had daaraan voorafgaand de psycholoog laten weten dat hij verwachtte dat hij de zorgmachtiging toch wel zou krijgen en dat hij niet naar de zitting kwam. Naar oordeel van de Hoge Raad zijn die omstandigheden ontoereikend om te kunnen oordelen dat de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen, bijv. in zijn woon- of verblijfplaats of telefonisch vanaf de zitting, ontbrak.9.
Referteverklaringen en de Wvggz
3.10
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank afgezien van een mondelinge behandeling en aan de hand van de stukken beslist op het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een zorgmachtiging, nadat de advocaat van betrokkene aan de rechtbank een referteverklaring had toegezonden.
3.11
Als gezegd is de hoorplicht uit art. 6:1 lid 1 Wvggz niet absoluut (zie 3.6). Het is denkbaar dat de betrokkene niet gehoord wil worden. De Wvggz staat daaraan dus niet in de weg en de mogelijkheid om ondubbelzinnig afstand te doen van het recht te worden gehoord is evenmin in strijd met het EVRM.10.
3.12
De parallel met de mogelijkheid die betrokkenen hebben om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand dringt zich op: ook dat is als zodanig niet onverenigbaar met de Wvggz en met het EVRM, ook al mag daar waar het gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis afstand van het recht op rechtsbijstand niet te snel worden aangenomen.11.
3.13
Dat een betrokkene niet bereid is om te worden gehoord, kan de rechter afleiden uit de wijze waarop de betrokkene heeft verklaard of zich anderszins heeft gedragen (zie 3.7). Aanwijzingen voor het ontbreken van de bereidheid om te worden gehoord kunnen onder meer zijn dat de betrokkene niet ter zitting verschijnt, of dat de betrokkene – in samenspraak met de aan hem toegevoegde advocaat – op voorhand aan de rechtbank laat weten dat hij niet bereid is om gehoord te worden.
3.14
Dat brengt mij bij de praktijk van referteverklaringen. Deze praktijk is volgens Baken erdoor ingegeven dat het horen door veel betrokkenen als belastend worden ervaren.12.Indachtig de schaarse zittingscapaciteit13.lijkt het mij verder doelmatig dat niet steeds pas op zitting wordt vastgesteld dat de betrokkene niet bereid is om zich te doen horen. Wat daar verder ook van zij, juist vanwege de beperkte zittingscapaciteit is de praktijk van referteverklaringen naar mijn indruk niet weg te denken.
3.15
Onder de Wet Bopz bestond het fenomeen van de ‘referte- of verstekbeschikking’ ook al. Het ging dan om de mogelijkheid dat de betrokkene de rechtbank liet weten dat hij het eens is met de verzochte maatregel en dat hij niet behoeft te worden gehoord. In 2016 schreef de JVGGZ-redactie over deze praktijk:14.
“Als een dergelijke verklaring op overtuigende wijze via de advocaat wordt uitgebracht, blijft een zitting doorgaans achterwege en wordt het verzoek terstond toegewezen. Deze faciliteit wordt veelal geboden bij een nieuwe voorwaardelijke machtiging; een enkele rechtbank hanteert het model ook bij een eerste voorwaardelijke machtiging. Niet alle rechtbanken hanteren de werkwijze waarin een referteverklaring centraal staat. Een enkele rechtbank weigert juist om van het verhoor af te zien als niet blijkt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen (…)”.
3.16
Bij mijn weten heeft de Hoge Raad zich onder de Wet Bopz nimmer uitgelaten over de toelaatbaarheid van referteverklaringen. Onder verwijzing naar twee Wet Bopz-beschikkingen spreekt Dijkers echter van (stilzwijgende) acceptatie door de Hoge Raad.15.Het betreft daar twee gevallen waarin de rechtbank per abuis ervan uitging dat de betrokkene een referteverklaring zou hebben afgegeven, terwijl dat niet het geval was. In de ene zaak had de rechtbank de referteverklaring van een ander toegeschreven aan de betrokkene, waarna de Hoge Raad casseerde omdat de betrokkene ten onrechte niet op het verzoek was gehoord.16.In de andere zaak was evenmin sprake van een referteverklaring: de advocaat verzocht juist om bepaling van datum en tijdstip voor een mondelinge behandeling, met mededeling dat advocaat en betrokkene ter zitting aanwezig zullen zijn om verweer te voeren, welke verklaring de rechtbank op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd als referteverklaring, zodat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank om die reden vernietigde.17.Hoewel uit deze uitspraken blijkt dat de Hoge Raad bekend is met het verschijnsel ‘referteverklaring’, zou ik daaruit toch niet willen afleiden dat de Hoge Raad reeds heeft beslist dat de praktijk van referteverklaringen toelaatbaar is. Die kwestie lag in beide genoemde zaken immers niet voor.
3.17
Ook onder de Wvggz bestaat de praktijk van referteverklaringen,18.waarbij dit – voor zover ik kan zien – niet gebeurt bij eerste zorgmachtigingen. Over deze praktijk heeft de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten. Zo is bijvoorbeeld open de vraag of een belanghebbende belang heeft bij een cassatieberoep indien hij een referteverklaring heeft afgelegd en daarbij de geldende voorschriften in acht zijn genomen. Ik wijs echter op één uitspraak, waarin de Hoge Raad de looptijd van een verleende zorgmachtiging beperkte tot zes in plaats van twaalf maanden vanwege het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz. In die zaak had de rechtbank de zorgmachtiging na een referteverklaring verleend, over welk punt in cassatie echter niet was geklaagd.19.
3.18
In zijn noot bij die uitspraak toont Keurentjes zich kritisch, hoewel het ook volgens hem in de lijn der verwachting ligt dat de Hoge Raad de werkwijze van de refertebeschikking onder de Wvggz zal accepteren. Volgens deze auteur zou het interessant zijn om te weten hoe de Hoge Raad en ook het EHRM hierover oordelen, juist gelet op de kwetsbare positie van de betrokkene en het verstrekkende karakter van de op te leggen maatregel. Zo wijst Keurentjes erop dat de rechtbank in die zaak had geconstateerd dat naar aanleiding van de referteverklaring de betrokkene niet bereid was zich te doen horen, maar werpt hij de terechte vraag op of het instemmen met het verzoek wel is gelijk te stellen met ‘niet bereid zijn’ te worden gehoord door de rechtbank.20.
3.19
De officier van justitie heeft in deze cassatieprocedure geen verweerschrift ingediend en zo de kans voorbij laten gaan zich uit te laten over de praktijk van de referteverklaringen. Ik wijs er echter op dat B.J. Berton, landelijk officier van justitie gedwongen zorg,21.ook erop heeft gewezen dat afzien van het recht te worden gehoord niet hetzelfde als niet bereid zijn te worden gehoord. Zij vraagt zich af of een dergelijke referteverklaring ten principale onder de Wvggz wel passend is en of zo’n verklaring, hoe algemeen ook geaccepteerd, niet fundamenteel in strijd is met de hoorplicht van de rechter. Volgens Berton klemt dit temeer nu uit een referteverklaring juist blijkt dat betrokkene bereid is tot het accepteren van (verplichte) zorg, en dit op gespannen voet kan staan met een belangrijk uitgangpunt van de Wvggz, namelijk dat er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn. Overigens onderkent Berton het praktische tegengeluid op de zojuist genoemde kanttekeningen: de referteverklaring bestaat al jaren en is algemeen geaccepteerd. En:22.
“Dat heeft ook een reden: het is praktisch, het versnelt de procedure en scheelt enorm veel zittingstijd in deze tijden van krapte bij alle ketenpartners, niet in de laatste plaats bij de rechtspraak. De referteverklaring wordt in de praktijk ook niet gebruikt bij een eerste zorgmachtiging, maar uitsluitend in zaken waar het gaat om verzoeken om een aansluitende zorgmachtiging en waarbij het de bedoeling is dat de betrokkene ambulant wordt behandeld. In de meeste zaken is de betrokkene dus in ieder geval al eerder door de rechter gehoord bij het verlenen van de eerste zorgmachtiging. Met het accepteren van referteverklaringen kan worden voorkomen dat zaken te lang blijven liggen. Dat de referteverklaring wijdverbreid geaccepteerd is, is dus uit praktisch oogpunt zeer begrijpelijk. (…).”
3.20
Dijkers ziet geen bezwaar tegen het gebruik van referteverklaringen: hij beschouwt dit als een specifieke uitwerking van de in de wet neergelegde regel dat de rechter het horen van de betrokkene achterwege kan (en zelfs moet) laten als betrokkene geen bereidheid heeft tot een gesprek met de rechter.23.
3.21
Uit een annotatie van Baken24.begrijp ik dat “de rechtbanken” richtlijnen hebben opgesteld over de vraag welke Wvggz-verzoeken geschikt bevonden kunnen worden om te worden afgedaan met een referteverklaring. Baken noemt drie voorwaarden, die ik citeer:
“1) Het dient te gaan om een opvolgende zorgmachtiging. In geval van een eerste machtiging vindt er altijd een zitting plaats zodat betrokkene door de rechter gehoord kan worden.
2) In beginsel dient veelal sprake te zijn van een situatie waarin betrokkene ambulant of in een open setting verplichte zorg ontvangen heeft tijdens de geldigheidsduur van de vorige machtiging. Op deze hoofdregel zijn een aantal uitzonderingen bekend. Zo zijn er rechtbanken die referteverklaringen accepteren bij een zeer langdurig verblijf op longstay-afdelingen waarbij uitplaatsing van de betrokkene niet de verwachting is. Bij die doelgroep komt het voor dat de betrokkene de instelling helemaal niet wil verlaten.
3) Ambulante zorg of zorg in een open setting dient de insteek te zijn van de gevraagde opvolgende machtiging. De officier van justitie kan als zorgvorm opname in een gesloten accommodatie weliswaar verzoeken voor het geval dat onverhoopt noodzakelijk is, maar wanneer ten tijde van het indienen van het verzoek voor de opvolgende machtiging al duidelijk is dat betrokkene (gedwongen) opgenomen moet worden op een gesloten afdeling, dan zal het verzoek niet geschikt geacht worden om af te doen met een referteverklaring. In die situatie zal alsnog een zitting plaatsvinden.”
Deze richtlijnen trof ik niet aan op rechtspraak.nl, en zij zijn mij ook overigens niet bekend. Het Procesreglement Wvggz en Wzd25.zwijgt over referteverklaringen. Het zijn kennelijk interne richtlijnen.
3.22
Het lijkt erop dat de rechtbanken verschillende uitgangspunten hanteren rondom referteverklaringen. Mij is ambtshalve bekend dat de Rotterdamse werkinstructie vermeldt dat, ter beoordeling van de behandelend rechter, het volstaat als alleen de advocaat de referteverklaring heeft getekend.26.Dat wijkt af van de werkwijze van de rechtbank Haarlem, althans voor zover blijkt uit de in deze zaak overgelegde brief, waarin de griffier van de rechtbank Haarlem uitdrukkelijk vermeldt dat de betrokkene de referteverklaring persoonlijk en in aanwezigheid van de advocaat dient te ondertekenen (zie 2.3). Ik sluit niet uit dat er ook anderszins sprake is van onderling afwijkende uitgangspunten. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de rechtbanken, bijv. via een expertgroep, tot onderling gedeelde uitgangspunten trachten te komen.
3.23
Voor nu laat ik het bij de constatering dat de Wvggz en het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staan dat een betrokkene afstand doet van diens recht om gehoord te worden. In zoverre is een praktijk van referteverklaringen dan ook toelaatbaar. Die praktijk is ook, zou ik menen, wenselijk (zowel gelet op de belangen van betrokkenen die niet willen worden gehoord als gelet op de schaarse zittingscapaciteit). De vervolgvraag is uiteraard wanneer een referteverklaring in een concreet geval een voldoende grondslag vormt om te kunnen vaststellen dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord.
Bespreking van de klachten van onderdeel 1
3.24
Tegen deze achtergrond zal ik nu de klachten van onderdeel 1 bespreken. Het middel voert achtereenvolgens drie rechtsklachten en drie motiveringsklachten aan.
3.25
Subonderdeel 1.1 klaagt dat de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van art. 6:1 lid 1 Wvggz. De rechtbank miskent de plicht van de rechter om betrokkene in persoon te horen voorafgaand aan de te geven beslissing, door in haar overwegingen te verwijzen naar een door de advocaat van betrokkene aan de rechtbank toegestuurde referteverklaring.
3.26
Subonderdeel 1.2 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het beginsel van hoor en wederhoor een fundamenteel recht is van een betrokkene die via een verleende zorgmachtiging in zijn persoonlijke vrijheid wordt aangetast. De rechtbank heeft betrokkene niet ter zitting in persoon gehoord en daarmee art. 5 en 6 EVRM onvoldoende strikt toegepast.
3.27
Subonderdeel 1.3 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de Wvggz geen vorm van afstand van recht kent, waarmee een betrokkene het recht om in persoon te worden gehoord zou kunnen prijsgeven. Bovendien heeft de rechtbank niet onderzocht of betrokkene zijn wil in dit verband in vrijheid heeft kunnen bepalen. Daarom had de rechtbank geen rechtsgevolg mogen verbinden aan de referteverklaring die in dit geval is ingestuurd.
3.28
Subonderdeel 1.4 klaagt dat de motivering van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en daarom niet aanvaardbaar is. De rechtbank heeft haar eigen instructie aan (de advocaat van) betrokkene uit haar brief van 2 mei 2025 niet kenbaar in acht genomen, door niet vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarden zoals door de rechtbank gesteld aan de rechtsgeldigheid van een referteverklaring.
3.29
Subonderdeel 1.5 bevat de klacht dat de motivering van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig is, althans onvoldoende begrijpelijk, omdat de rechtbank in de brief van 2 mei 2025 verlangt dat de referteverklaring door betrokkene wordt ondertekend, maar verzuimt om kenbaar in haar overwegingen te betrekken dat de referteverklaring slechts is ondertekend door de advocaat van betrokkene.
3.30
Subonderdeel 1.6 klaagt dat de motivering onbegrijpelijk althans onvoldoende inzichtelijk is, omdat de rechtbank verzuimt te beoordelen althans in overweging te nemen of betrokkene de referteverklaring in aanwezigheid van zijn advocaat heeft ondertekend en de inhoud ervan ook heeft begrepen, terwijl de rechtbank die voorwaarde voorafgaand aan de beslissing had gesteld.
3.31
Het onderdeel slaagt. De motiveringsklachten in de subonderdelen 1.4-1.6 vestigen er terecht de aandacht op dat de rechtbank enerzijds, in de brief van 2 mei 2025 aan de advocaat, uitdrukkelijk erop wijst dat de betrokkene die er prijs op stelt dat de zaak zonder zitting wordt afgedaan de referteverklaring “persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen”, terwijl de rechtbank anderzijds, in de bestreden beschikking, uit een enkel door de advocaat ondertekende referteverklaring afleidt dat betrokkene afziet van het recht te worden gehoord. De bestreden beschikking bevat geen toelichting op deze tegenstrijdigheid, terwijl het oordeel van de rechtbank zonder toelichting niet voldoende begrijpelijk is. De bestreden beschikking dient daarom te worden vernietigd.
3.32
In deze omstandigheden kunnen de overige klachten van het onderdeel onbesproken blijven.
3.33
De klachten van onderdeel 2 kunnen eveneens onbesproken blijven. Voor de volledigheid zal ik daar toch kort op ingaan.
Onderdeel 2
3.34
Dit onderdeel betreft de medische verklaring die de rechtbank in haar beoordeling heeft betrokken. De klachten richten zich tegen rov. 2.2-2.8 van de bestreden beschikking.
3.35
Subonderdeel 2.1 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat niet gesteld of aannemelijk is dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, voldoet aan de eisen uit art. 5:7, aanhef en onder a-d, Wvggz. Aldus zou de bestreden beschikking blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.36
Subonderdeel 2.2 klaagt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk is of de rechtbank (kenbaar) heeft beoordeeld of de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld voldoet aan de vereisten als bedoeld in art. 5:7 Wvggz.
3.37
Mijns inziens falen de klachten, gelet op het volgende.
3.38
Ik benadruk nogmaals27.dat de medische verklaring een cruciale rol speelt in Wvggz-procedures: het ontbreken van een deugdelijke medische verklaring betekent dat de rechter geen zorgmachtiging kan verlenen.28.Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz genoemde cumulatieve voorwaarden. De psychiater moet zonder beperkingen als psychiater in het BIG-register zijn ingeschreven (onder a en b). Daarnaast moet de psychiater onafhankelijk functioneren ten opzichte van de zorgaanbieder (onder c), wat niet eraan in de weg staat dat de psychiater in dienst kan zijn van de zorgaanbieder.29.Tot slot mag de psychiater minimaal een jaar30.geen zorg hebben verleend aan betrokkene (onder d). Deze voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM inzake art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.31.
3.39
In de bestreden beschikking ligt besloten dat de medische verklaring naar het oordeel van de rechtbank aan de wettelijke vereisten voldoet. Het lijkt mij niet nodig dat de rechtbank dit oordeel expliciteert, nu de gedingstukken voldoende impliceren dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld voldoet aan de voorwaarden uit art. 5:7 Wvggz. Dat is niet alleen de opvatting van de psychiater zelf,32.maar ook van de geneesheer-directeur33.en van de officier van justitie.34.De gedingstukken bevatten geen enkele aanwijzing dat de psychiater niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten.
3.40
Bij die stand van zaken behoefde de rechtbank, ook indien wordt aangenomen dat zij de bruikbaarheid van de medische verklaring ambtshalve dient te beoordelen,35.niet in twijfel te trekken dat de medische verklaring is opgesteld door een psychiater die voldoet aan de voorwaarden uit art. 5:7 Wvggz.
3.41
Volledigheidshalve: dit betekent dus niet, anders dan de toelichting op het onderdeel suggereert, dat het afgeven van een referteverklaring afbreuk zou doen aan de rechterlijke controle,36.in de zin dat de rechtbank niet zou (moeten) toetsen of is voldaan aan de wettelijke vereisten om een zorgmachtiging te verlenen. Treft de rechtbank in de gedingstukken aanwijzingen aan dat mogelijk niet is voldaan aan de vereisten uit art. 5:7 Wvggz, dan dient de rechtbank dat aan de orde te stellen (ongeacht of een referteverklaring is afgegeven). Die situatie doet zich hier echter niet voor.
3.42
Het voorgaande betekent dat onderdeel 2 niet slaagt.
Onderdeel 3
3.43
Onderdeel 3, dat zich richt tegen het dictum, bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen en bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, zp. Haarlem van 15 mei 2025 en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑12‑2025
Ontleend aan de bestreden beschikking (Rb. Noord-Holland 15 mei 2025, ECLI:NL:RBNOH:2025:13954).
De rechtspraak onder de Wet Bopz (oud) heeft voor toepassing van art. 6:1 Wvggz haar betekenis behouden, zie uitdrukkelijk HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/7, m.nt. red., rov. 3.2. Zie onder de Wvggz voorts HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1797, rov. 3.2; HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:973, RvdW 2025/805, JGz 2025/43, m.nt. red., rov. 3.1.2; HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972, NJ 2025/184, rov. 3.2.2; HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, NJ 2025/32, JGz 2025/7, m.nt. red., rov. 3.2; HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, RvdW 2024/1149, rov. 3.2; HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, NJ 2024/263, JGz 2025/1, m.nt. red., rov. 3.2; HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, RvdW 2024/422, rov. 3.2; HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1383, RvdW 2023/955, JGz 2023/65, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.2; HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220, RvdW 2023/886, JGz 2023/61, m.nt. J.F.M. Hendrickx & K. van Heumen, rov. 3.2; HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:876, RvdW 2023/668, JGz 2023/40, m.nt. red., rov. 3.2; HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, JGz 2022/6, m.nt. R.B.M. Keurentjes onder JGz 2022/8, rov. 3.1.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1165, RvdW 2021/832, JGz 2021/64, rov. 3.2; HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, RvdW 2021/643, JGz 2021/61, m.nt. red., rov. 3.3.
Een wat andere kwestie zijn gevallen waarin betrokkene wél wordt aangetroffen tijdens een mondelinge behandeling in de instelling waar betrokkene verblijft, maar ter plekke kenbaar maakt dat hij niet gehoord wil worden. Zie bijv. HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1336, RvdW 2022/895 (81 RO, de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank waarin was geoordeeld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, in welk geval betrokkene zich had opgesloten op het toilet op haar kamer en geen antwoord gaf op het verzoek van de rechter om naar de gesprekskamer te komen).
Zie recent bijv. HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1526, RvdW 2025/1117; HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:973, RvdW 2025/805, JGz 2025/43, m.nt. red.; HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972, NJ 2025/184.
Zie HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, NJ 2024/263, JGz 2025/1, m.nt. red., rov. 3.3.
Zie bijv. HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, RvdW 2024/1149, waarin de rechtbank in zo’n geval de vaststelling dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen mede erop had gebaseerd dat betrokkene zorgmijdend gedrag vertoont en dat betrokkene maatregelen heeft getroffen om mensen buiten te houden, maar naar oordeel van de Hoge Raad ten onrechte niet (kenbaar) een aantal andere omstandigheden had meegewogen, zodat de beschikking van de rechtbank werd vernietigd. Zie bijv. ook HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, JGz 2022/6, m.nt. R.B.M. Keurentjes onder JGz 2022/8, waarin de Hoge Raad overweegt dat indien de gedragingen van de betrokkene op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dan diens bereidheid om te worden gehoord ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, de rechter vrij is om het ontbreken van bereidheid af te leiden uit de omstandigheid dat betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen. Zie verder nog HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:895, RvdW 2022/619, JGz 2022/34, m.nt. R.B.M. Keurentjes, en HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1165, RvdW 2021/832, JGz 2021/64.
In die zaak vermeldde het proces-verbaal van de mondelinge behandeling onder meer: “De advocaat deelt mee dat hij contact heeft gehad met betrokkene. Deze zal niet ter zitting verschijnen omdat hij er niet bij wil zijn.' Zie HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, NJ 2025/32, JGz 2025/7, m.nt. red., rov. 2.2.
Zie HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, NJ 2025/32, JGz 2025/7, m.nt. red., rov. 3.2 en 3.3.
Zie HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1797, rov. 3.3.
Zie bijv. ook plv. P-G Langemeijer in nr. 2.2 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:205) voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, RvdW 2017/430, JGZ 2017/1, m.nt. red., JVGGZ 2017/17, m.nt. red., waarbij Langemeijer wel erop wijst dat het gebruik van afstandsverklaringen ten aanzien van het recht te worden gehoord op verzoeken om (nieuwe) voorwaardelijke machtigingen nog wel eens ter discussie staat, omdat niet in alle gevallen verzekerd is dat de betrokkene in vrijheid de verklaring heeft afgelegd én op dat moment in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake
Zie HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7, JGz 2023/5, m.nt. red., rov. 3.3, waarin de Hoge Raad overweegt overeenkomstig de Wet Bopz-rechtspraak (zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, RvdW 2018/273, JGz 2018, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.5, met verwijzing naar EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 (Damir Sibgattulin/Rusland)).
Zie de noot van G.J. Baken in JGz 2023/28 bij Rb. Den Haag 9 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1882.
Zie de noot van B.J. Berton in JGz 2022/44 bij Rb. Rotterdam 25 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2892.
Zie de noot van de redactie in JVGGZ 2016/11, bij Rb. Zutphen 18 maart 2016, zaaknr. 298307 FZRK 16-530 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1053, RvdW 2019/794, JGz 2019/29, m.nt. red. De redactie van JGz schrijft dat er kennelijk dossiers zijn verwisseld.
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, RvdW 2017/430, JGZ 2017/1, m.nt. red., JVGGZ 2017/17, m.nt. red. De redactie van JVGGZ oppert dat wellicht het dossier op de griffie van de rechtbank abusievelijk in de stroom ‘referteverklaringen’ is beland en vervolgens ‘blindelings’ is getekend door rechter en griffier.
Dergelijke beschikkingen plegen in het algemeen niet op rechtspraak.nl te worden gepubliceerd. Zie echter wel Rb. Breda 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5213; Rb. Breda 6 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:92; Rb. Arnhem 24 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7032; Rb. Haarlem 19 oktober 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:10495; Rb. Den Haag 9 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1882, JGZ 2023/28, m.nt. G.J. Baken; Rb. Alkmaar 6 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:9132; Rb. Alkmaar 28 september 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:7808; Rechtbank Utrecht 27 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2083; Rb. Alkmaar 18 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2223.
HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, RvdW 2025/175, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes.
Dit zou mogelijk ondervangen kunnen worden door ook expliciet in de referteverklaring te verklaren dat betrokkene niet bereid is te worden gehoord.
Zie de noot van B.J. Berton in JGz 2022/44 bij Rb. Rotterdam 25 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2892.
B.J. Berton in haar noot in JGz 2022/44 bij Rb. Rotterdam 25 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2892.
Bij Rb. Den Haag 9 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1882, JGz 2023/28.
Te raadplegen via rechtspraak.nl. Dit procesreglement is in werking getreden op 1 januari 2021 en laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025.
Rechtbank Rotterdam, Werkinstructie referteverklaring Wvggz, versie 1 april 2025, p. 2. Als strikte voorwaarde om schriftelijk te mogen afdoen is o.a. opgenomen: “ter beoordeling van de behandelend rechter volstaat het als alleen de advocaat de referteverklaring heeft getekend. Ter beoordeling van de behandelend rechter wordt een referteverklaring in e-mail vorm ook aanvaard, indien deze is verstuurd vanaf het e-mail adres van de advocaat.”
Zie recent, en meer uitvoerig, nrs. 3.3 e.v. van mijn conclusie van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1094). De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan in die zaak (nr. 25/02796).
Zie meest recent HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1809, rov. 3.6: “Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt, mede gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, dat geen zorgmachtiging mag worden verleend indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen.” Zie bijv. ook HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:195, RvdW 2025/375, en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1546, NJ 2024/324.
Zie HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1545, NJ 2020/371, JGz 2021/1, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.1.4, met verwijzing naar Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10, p. 86.
Dit vereiste betekent overigens niet dat een jaar na het einde van de behandelrelatie de psychiater automatisch als onafhankelijk psychiater kan optreden: feiten en omstandigheden over de vroegere behandelrelatie (in het bijzonder de duur en de intensiteit daarvan) kunnen meebrengen dat de psychiater toch niet kan worden aangemerkt als ‘onafhankelijk’ in de zin van art. 5:7 Wvggz (zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, NJ 2024/246, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/74, m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.3.2). Anderzijds is niet uitgesloten dat dezelfde onafhankelijke psychiater twee keer binnen een jaar een medische verklaring opstelt (zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:666, NJ 2025/129, JGz 2025/40, m.nt. J.J. de Jong, rov. 3.2.4-3.3).
Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/62, m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.2, met verwijzing naar EHRM 24 oktober 1979, nr. 6301/73, NJ 1980/114, m.nt. E.A. Alkema (Winterwerp/Nederland) en EHRM 5 oktober 2000, nr. 31365/96, BJ 2001/36, m.nt. W.J.A.M. Dijkers (Varbanov/Bulgarije).
Deze psychiater neemt immers de medische verklaring voor zijn rekening, wetende dat dit enkel mogelijk is indien aan de wettelijke vereisten is voldaan (zie in dit geval ook de ‘Gebruiksinstructie voor de Medische Verklaring’ die aan de medische verklaring is gehecht, waarin o.a. is vermeld wat in deze context ‘onafhankelijk’ betekent).
Vgl. in het kader van de Wzd: HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226, NJ 2021/63, rov. 3.4.
Zie de procesinleiding, p. 10, voorlaatste alinea.
Beroepschrift 12‑08‑2025
PROCESINLEIDING VERZOEKZAAK IN CASSATIE (art. 407 Rv)
Partijen
Verzoeker tot cassatie is de heer [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen ‘[betrokkene]’.
[betrokkene] kiest voor deze zaak domicilie te (2566 LB) Den Haag aan het adres Sportlaan 40 ten kantore van Delissen Martens advocaten belastingadviseurs mediators, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.J. van Basten Batenburg als zodanig voor hem optreedt en namens hem deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerder in cassatie is de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket Noord-Holland, hierna te noemen ‘de Officier van Justitie’.
Het Openbaar Ministerie Noord-Holland is gevestigd te Haarlem, met als postadres Postbus 601 te (2003 RP) Haarlem.
Cassatieberoep
[betrokkene] stelt beroep in cassatie in tegen de beschikking van 15 mei 2025 gegeven door de rechtbank Noord-Holland (Familie en Jeugd, locatie Haarlem, enkelvoudige kamer) met zaak-/rekestnummer C/15/364814 / FA RK 25-2217, naar aanleiding van het door de Officier van Justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voor [betrokkene] als betrokkene.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het adres Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Waar gaat de zaak over?
De rechtbank heeft naar aanleiding van het verzoek van de Officier van Justitie een zorgmachtiging voor [betrokkene] verleend, met de vormen en duur van verplichte zorg zoals vermeld onder 2.5 van haar beschikking, en bepaald dat deze machtiging geldt tot 15 mei 2026.
Het gaat in deze cassatieprocedure — samengevat — over de vragen (i) of de rechtbank voorbij mocht gaan aan haar onderzoeks- en hoorplicht als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz, door in haar oordeel gewicht toe te kennen aan de ingediende referteverklaring, en (ii) of de psychiater die de medische verklaring heeft afgegeven waarop de verlening van de zorgmachtiging is gebaseerd voldoet aan de vereisten als bedoeld in art. 5:7 Wvggz.
Cassatiemiddel
[betrokkene] voert tegen de voormelde beschikking van de rechtbank het navolgende middel van cassatie aan:
‘Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat de rechtbank heeft overwogen en beslist als vermeld in de beschikking waarvan beroep, ten onrechte, vanwege na te melden in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen, weergegeven in de diverse hierna te noemen klachtonderdelen.’
Klachten
Het middel valt uiteen in de hierna vermelde klachtonderdelen.
1. Klachtonderdeel 1
1.1.
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 2.1. van de beschikking blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van art. 6:1 lid 1 Wvggz. De rechtbank miskent de plicht van de rechter om betrokkene in persoon te horen voorafgaand aan de te geven beslissing, door in haar overwegingen te verwijzen naar een door de advocaat van betrokkene aan de rechtbank toegestuurde referteverklaring.
1.2.
De rechtbank miskent in voornoemde overweging dat het beginsel van hoor en wederhoor een fundamenteel recht is van een betrokkene die via een verleende zorgmachtiging in zijn persoonlijke vrijheid wordt aangetast, door betrokkene niet ter zitting in persoon te horen, waarmee de rechtbank de artikelen 5 en 6 EVRM onvoldoende strikt toepast.
1.3.
De rechtbank miskent dat de Wvggz geen vorm van afstand van recht kent, waarmee een betrokkene het recht om in persoon te worden gehoord zou kunnen prijsgeven. Bovendien heeft de rechtbank niet onderzocht of betrokkene zijn wil in dit verband in vrijheid heeft kunnen bepalen. Daarom had de rechtbank geen rechtsgevolg mogen verbinden aan de referteverklaring zoals in het geding ingestuurd.
1.4.
De motivering van de rechtbank in de beschikking is onvoldoende inzichtelijk en deswege niet aanvaardbaar, omdat de rechtbank haar eigen instructie aan (de advocaat van) betrokkene in haar brief van 2 mei 2025 niet kenbaar in acht neemt, door niet vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarden zoals door de rechtbank gesteld aan de rechtsgeldigheid van de referteverklaring.
1.5.
De motivering van de rechtbank in de beschikking is innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, omdat de rechtbank in de brief van 2 mei 2025 verlangt dat de referteverklaring wordt ondertekend door betrokkene, maar verzuimt kenbaar in haar overwegingen te betrekken dat de referteverklaring slechts is ondertekend door de advocaat van betrokkene.
1.6.
De motivering van de rechtbank in de beschikking is onbegrijpelijk, althans onvoldoende inzichtelijk, omdat de rechtbank verzuimt te beoordelen althans in overweging te nemen of betrokkene de referteverklaring in aanwezigheid van zijn advocaat heeft ondertekend en de inhoud ervan ook heeft begrepen, terwijl de rechtbank die voorwaarde voorafgaand aan de beslissing had gesteld.
Toelichting op klachtonderdeel 1
Deze toelichting volgt de subonderdelen van klachtonderdeel 1, maar dient steeds in onderlinge samenhang te worden gelezen.
Subonderdeel 1.1
In de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2025 wordt een zorgmachtiging verleend voor de duur van een jaar, op grond van art. 6:4 Wvggz.
Het verzoek daartoe is gedaan door de Officier van Justitie, in een verzoekschrift dat werd ingediend op 2 mei 2025.
De rechtbank heeft bij brief van 2 mei 2025 aan de advocaat van [betrokkene], mr. A.R. Oosthout, verzocht om — indien van toepassing — binnen tien dagen na dagtekening een referteverklaring aan de rechtbank toe te zenden waaruit blijkt dat [betrokkene] persoonlijk door de advocaat is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van de zaak met een referteverklaring. Ook heeft de rechtbank inhoudelijke eisen aan de op te sturen referteverklaring verbonden en benadrukt dat [betrokkene] de referteverklaring persoonlijk en in aanwezigheid van de advocaat dient te ondertekenen, waarna de advocaat die verklaring dient te autoriseren.
Op 10 mei 2025 heeft mr. Oosthout een referteverklaring aan de rechtbank gezonden. In die referteverklaring is opgenomen dat [betrokkene] heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als [betrokkene] niet meewerkt aan de uitvoering van de vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voortkomt uit de stoornis van [betrokkene]; ook is vermeld dat de geneesheer-directeur alvorens tot opname te beslissen [betrokkene] zal (doen) horen en dat de opname niet langer zal duren dan nodig is om het ernstig nadeel af te wenden.
Volgens de rechtbank in rov. 2.1. van de beschikking is aan de voorwaarden van [betrokkene] voor de referte voldaan.
De rechtbank stelt vervolgens in het feitelijk oordeel vast dat uit de stukken is gebleken dat [betrokkene] lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizo-affectieve stoornis, waarbij middelengebruik luxerend lijkt te zijn. Om de geestelijke gezondheid van [betrokkene] te stabiliseren of te herstellen heeft hij zorg nodig, zo vervolgt de rechtbank. Volgens de rechtbank zijn er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis en is verplichte zorg nodig. De rechtbank acht opname nodig onder door de rechtbank omschreven omstandigheden; daartoe behoren ook het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten. Er zijn volgens de rechtbank geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben, en de voorgestelde verplichte zorg is volgens de rechtbank evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt volgens de rechtbank dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van [betrokkene] aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met zijn veiligheid.1.
[betrokkene] stelt in cassatie dat het oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de hoor- en onderzoeksplicht als bedoeld in artt. 6:1 en 6:4 juncto 5:7 Wvggz, althans dat de rechtbank een niet voldoende inzichtelijke motivering aan haar beslissing ten grondslag gelegd heeft. [betrokkene] is niet op de zitting van de rechtbank verschenen, en derhalve ook niet gehoord. De vraag is of de referteverklaring die door mr. Oosthout is ondertekend, voldoende is in het licht van de wettelijke oproepingsplicht om het niet verschijnen en het niet horen van [betrokkene] gedekt te achten.
Vooropgesteld moet worden dat verplichte zorg in de zin van artt. 1:1 lid 1 onder t jo. 3:1 en 3:2 lid 2 Wvggz een ultimum remedium is. Dit is expliciet opgenomen in art. 3:3 Wvggz, waarin is bepaald dat verplichte zorg als ‘uiterst middel’ kan worden verleend indien er geen mogelijkheden zijn voor zorg op basis van vrijwilligheid, er geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn (subsidiariteit), en het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is (proportionaliteit). In het licht van die vereisten mag een machtiging voor het onderwerpen van een betrokkene aan verplichte zorg niet te snel worden verleend. Het betekent niet alleen dat de rechter moet onderzoeken of aan de voornoemde vereisten is voldaan, maar ook of alle (vorm)vereisten die uit de Wvggz voortvloeien zijn nageleefd.
In het onderhavige geval is de vraag of een zorgmachtiging verleend mocht worden zonder [betrokkene] te doen horen, en louter op grond van een schriftelijke referteverklaring, die bovendien niet door [betrokkene] is getekend — in weerwil van de daartoe strekkende expliciete instructie van de rechtbank. Gelet op de beginselen van verplichte zorg als ultimum remedium, alsmede de daarmee verbonden beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan dat niet zonder meer worden aangenomen.
In een conclusie uit 2022 van Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad M.L.C.C. Lückers is het rechtskader over de oproepings- en hoorplicht van art. 6:1 lid 1 Wvggz aan de orde geweest.2. Wat de oproepingsplicht betreft, concludeert de A-G dat de rechter niet hoeft te onderzoeken of de oproeping de betrokkene daadwerkelijk heeft bereikt, maar of de oproeping betrokkene ‘redelijkerwijs’ heeft bereikt, aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Uit het feit dat betrokkene niet ter zitting is verschenen kan niet direct de conclusie worden getrokken dat hij niet in staat of bereid is zich te doen horen, aldus de A-G. Op de rechter rust een inspanningsverplichting om betrokkene te horen en te onderzoeken of hij wil worden gehoord. Bij het ontbreken van een verklaring van de betrokkene dat hij niet wil worden gehoord, zal de rechter dan verdergaand persoonlijk onderzoek, desnoods ter plekke, moeten doen en uitgebreider dienen te motiveren waarom (desondanks) geconcludeerd wordt dat betrokkene niet gehoord wil worden. De conclusie van de A-G onderstreept de plichten die in dit verband op de rechter rusten. Het gaat in dit verband in essentie om een plicht van de rechter, welke dient te borgen dat het recht om te worden gehoord niet gefrustreerd kan worden.
In casu is er sprake van een door de advocaat van [betrokkene] ondertekende (referte)verklaring. In die verklaring is de tekst opgenomen:
‘Na overleg met de heer [betrokkene] op 9 mei 2025 kan ik meedelen dat betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord, kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot een zorgmachtiging met een maximale duur van 12 maanden als met betrekking tot de verzochte opname in een accommodatie de volgende clausulering (of een clausulering van vergelijkbare strekking) in de beschikking wordt opgenomen;
[betrokkene] heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van voormelde vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voortkomt uit de stoornis. De geneesheer-directeur zal — alvorens tot opname te beslissen — de betrokkene (doen) horen en de opname zal alsdan niet langer duren dan nodig is om het dreigend ernstig nadeel af te wenden.’
Volgens A-G Lückers in de hiervoor besproken conclusie uit 2022 is het zo dat het de rechter zelf moet zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord. De rechter kan dat niet baseren op de mededeling van iemand anders of op een schriftelijke verklaring van betrokkene waarvan de rechter niet weet hoe die tot stand is gekomen (rov. 2.11). De A-G verwijst naar de parlementaire geschiedenis.3. De rechter mag zijn vaststelling dat de betrokkene niet in staat of bereid is zich te doen horen in beginsel baseren op een ‘schriftelijke verklaring’, maar de vraag is waaraan die verklaring nog meer moet voldoen. Als de rechter niet weet hoe die verklaring tot stand is gekomen, dan is volgens A-G Lückers nader onderzoek vereist.
In het geval van [betrokkene] is sprake van een referteverklaring die door zijn advocaat is opgesteld en ondertekend.
De Hoge Raad heeft niet eerder overwogen dat een door een advocaat ondertekende referteverklaring voldoende is om voorbij te gaan aan het feit dat betrokkene niet ter zitting is gehoord.
In de eerder vermelde brief van de rechtbank aan mr. Oosthout d.d. 2 mei 2025 is, dik gedrukt, vermeld:
‘Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren.’
Uit de referteverklaring blijkt echter niet dat [betrokkene] die heeft ondertekend en (dus) ook niet dat dit in aanwezigheid van zijn advocaat is geschied. De referteverklaring voldoet daarom niet aan de eisen die door de rechtbank zelf zijn gesteld in haar brief van 2 mei 2025. Dat impliceert dat de rechter niet kan weten hoe de referteverklaring tot stand is gekomen, en dat daarom aan die verklaring geen waarde zou hebben mogen worden toegekend. Alsdan is sprake van een schending van art. 6:1 lid 1 Wvggz.
Subonderdeel 1.2
De plicht van de rechter om betrokkene te horen ex art. 6:1 lid 1 Wvggz — tevens houdende het recht van betrokkene gehoord te worden — is een uitdrukking van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, zoals vastgelegd in art. 19 Rv, en vloeit voort uit het recht op een eerlijk proces van art. 6 EVRM. Omdat het hier gaat om de oplegging van maatregelen die betrokkenen beperken in hun persoonlijke vrijheid, is art. 5 EVRM ook altijd in het geding. Kortom, artt. 5 en 6 EVRM kleuren de rechten van betrokkenen uit hoofde van de Wvggz steeds in.4.
De hoorplicht van art. 6:1 lid 1 Wvggz geldt in beginsel altijd, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene (i) niet in staat is of (ii) niet bereid is zich te doen horen. Die bepaling onderstreept de bedoeling van de wetgever om een zuiver schriftelijke behandeling van de zaak te voorkomen.5.
Volgens de Hoge Raad weegt deze hoorplicht zwaarder dan doorgaans het geval is, blijkens de volgende standaardoverweging:
‘Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter, naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.’6.
De hoorplicht van art. 6:1 lid 1 Wvggz fungeert dus met name als een waarborg tegen het al te gemakkelijk opleggen van verplichte zorg, die de betrokkenen aantast in hun persoonlijke vrijheid. Op grond van bovengenoemde overweging van de Hoge Raad, artt. 5 en 6 EVRM, én de beschermingsgedachte van de Wvggz, mag niet te snel worden aangenomen dat een betrokken persoon niet in staat of niet bereid is zich te doen horen.
De enkele aanwezigheid van een referteverklaring die niet door [betrokkene] is getekend, is onvoldoende teneinde aan te nemen dat hij niet bereid was zich te doen horen. Daarmee heeft de rechtbank haar hoorplicht ex art. 6:1 lid 1 Wvggz geschonden.
Subonderdeel 1.3
Voor de handelwijze van de rechtbank in het onderhavige geval, te weten het achterwege laten van het horen van [betrokkene] op grond van een door zijn advocaat ondertekende referteverklaring, bestaat geen wettelijke basis in de Wvggz. Reeds daarom had de rechtbank niet op de referteverklaring zoals in het geding gebracht mogen afgaan.
De rechter mag alleen afzien van het horen van betrokkene als hij vast kan stellen dat betrokkene niet in staat of niet bereid is zich te doen horen. De wet stelt verder geen eisen aan de wijze waarop de rechter tot die vaststelling dient te komen, of waarop die vaststelling gebaseerd moet zijn.
Er kan in het licht van dit onderwerp een parallel worden getrokken tussen het doen van afstand van het recht gehoord te worden en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Over dat laatste hanteert de Hoge Raad in Wvggz-zaken de volgende standaardoverweging:
‘Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.’7.
Aan het aannemen door de rechter van ‘afstand van het recht’ op rechtsbijstand in Wvggz-zaken worden dus drie eisen gesteld: (i) betrokkene heeft zijn wil in vrijheid kunnen bepalen, (ii) die wil is ondubbelzinnig vastgelegd en (iii) het doen van afstand staat in verhouding tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.
Het feit dat de Hoge Raad afstand van het recht op rechtsbijstand niet in strijd acht met de tekst of strekking van de Wvggz, impliceert niet dat de wetgever het doen van afstand van recht in het kader van de hoorplicht mogelijk heeft willen maken. Het systeem van de Wvggz kent die mogelijkheid niet en de wetsgeschiedenis vermeldt er ook niets over.
Subonderdeel 1.4–1.6
Op dezelfde dag dat de rechtbank het verzoek van de Officier van Justitie om verlening van een zorgmachtiging voor [betrokkene] ontving, stuurde zij een brief naar de advocaat van [betrokkene] waarin de optie werd gegeven om een referteverklaring aan de rechtbank te doen toekomen. In die brief werd meegedeeld dat uit de referteverklaring moet blijken dat [betrokkene] persoonlijk door de advocaat is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van de zaak met een referteverklaring, alsmede een aantal zaken die uitdrukkelijk in de verklaring moeten worden vermeld. Vervolgens benadrukte de rechtbank — want zij heeft dit in dikgedrukte letters gesteld — dat [betrokkene] de referteverklaring persoonlijk en in aanwezigheid van de advocaat dient te ondertekenen, waarna de advocaat deze verklaring dient te autoriseren.
[betrokkene] heeft de referteverklaring — in weerwil van de expliciete instructie van de rechtbank daartoe — niet ondertekend.
Daaraan gaat de rechtbank echter voorbij in de beschikking. In de beschikking in rov. 2.1 overweegt zij dat ‘aan de voorwaarden van betrokkene voor de referte is voldaan.’ Bovendien leidt de rechtbank uit de referteverklaring af dat [betrokkene] het verzoekschrift heeft besproken met zijn advocaat, dat hij erkent dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek met de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg wordt voldaan, en dat hij afziet van het recht te worden gehoord en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ten slotte acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen.
Deze motivering is onvoldoende inzichtelijk, onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig, omdat de rechtbank haar eigen eerder aan de advocaat verstrekte instructies niet kenbaar in acht neemt. De rechtbank motiveert niet waarom zij het niet naleven van haar eigen instructie niet sanctioneert. Uit het feit dat slechts de advocaat van [betrokkene] de referteverklaring heeft ondertekend, valt niet op te maken of [betrokkene] kennis heeft genomen van de referteverklaring, laat staan of hij de inhoud daarvan heeft begrepen.
Voor zover moet worden aangenomen dat een louter door de advocaat van betrokkene getekende referteverklaring voldoende kan zijn om het recht van betrokkene om gehoord te worden terzijde te schuiven, kan het oordeel van de rechtbank in het geval van [betrokkene] alsnog geen stand houden, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom de referteverklaring het recht van [betrokkene] om gehoord te worden zou opheffen of frustreren. Op de rechter rust immers een zware onderzoeksplicht en (bijbehorende) motiveringsplicht. Zoals eerder betoogd in dit verband, wordt die onderzoeksplicht ingekleurd door de fundamentele beginselen die aan de Wvggz ten grondslag liggen, hetgeen de Hoge Raad in het verleden heeft overwogen en het bepaalde in artt. 5 en 6 EVRM. De motivering van de rechtbank in rov. 2.1. voldoet, om de hiervoor genoemde redenen, niet aan de hoge eisen die daaraan worden gesteld.
2. Klachtonderdeel 2
2.1
De rechtbank miskent in rov. 2.2—2.8 dat niet gesteld of aannemelijk is dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld waarop het verzoek tot afgifte van de zorgmachtiging is gebaseerd, voldoet aan de eisen uit art. 5:7, aanhef en onderdeel a-d, van de Wvggz, en geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.2
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet voldoende begrijpelijk of de rechtbank (kenbaar) heeft beoordeeld of de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld voldoet aan de vereisten als bedoeld in art. 5:7 Wvggz.
Toelichting op klachtonderdeel 2
Uit de beschikking van de rechtbank kan worden afgeleid dat haar overwegingen gebaseerd zijn op de bevindingen uit de medische verklaring van psychiater [psychiater] van 25 april 2025.8. Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden (a-d). Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.9.
Met het voorschrift van art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz heeft de wetgever willen voorkomen dat de psychiater die de medische verklaring opstelt, een dusdanige band met de betrokkene heeft opgebouwd dat deze band een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. De bepaling brengt mee dat aan het vereiste van onafhankelijkheid in elk geval niet is voldaan als de psychiater minder dan een jaar voor het opstellen van de medische verklaring zorg heeft verleend aan de betrokkene.10. Ook als de psychiater die onderzoek verricht ten behoeve van een door hem op te stellen medische verklaring, op het tijdstip van dat onderzoek ten minste één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene, kunnen concrete feiten en omstandigheden die de betrokkene aanvoert over de vroegere behandelrelatie — in het bijzonder de duur en de intensiteit daarvan — meebrengen dat de psychiater niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk psychiater als bedoeld in art. 5:7 Wvggz.11.
De medische verklaring die zich bij de gedingstukken bevindt bevat geen informatie in de door art. 5:7 Wvggz bedoelde zin, zodat niet door de rechter kan worden vastgesteld of psychiater [psychiater] onafhankelijk is en ook niet of hij minimaal één jaar geen zorg verleend heeft aan [betrokkene]. Het enkele feit dat een referteverklaring is afgegeven zou aan de rechterlijke controle van deze voorwaarden geen afbreuk mogen doen.
Opgemerkt moet worden dat deze problematiek niet op een zitting aan de orde is gekomen en er dus — vanwege de getoonde referteverklaring — geen bezwaar is gemaakt tegen de medische verklaring die zich bij het verzoekschrift bevindt. Dit had de rechter er echter niet van mogen weerhouden ambtshalve te toetsen of aan de voorwaarden zoals vermeld in art. 5:7 Wvggz is voldaan. De voornoemde bepaling geldt immers voor de toepassing van de wet in zijn geheel, dus ook bij het beoordelen van een verzoek tot afgifte van een zorgmachtiging.
3. Klachtonderdeel 3
Indien (één van) de voorgaande onderdelen (slaagt of) slagen, dan kan het dictum van de bestreden beschikking evenmin in stand blijven, nu dat voortbouwt op het oordeel in de door de klachtonderdelen 1 en 2 aangevallen overwegingen.
Verzoek
[betrokkene] verzoekt dat uw Hoge Raad de beschikking waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als uw Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 12 augustus 2025
M.J. van Basten Batenburg
Advocaat bij de Hoge Raad
Bijlagen:
- 1]
beschikking rechtbank d.d. 15 mei 2025
- 2]
verzoekschrift Officier van Justitie d.d. 2 mei 2025
- 3]
brief rechtbank aan mr. Oosthout d.d. 2 mei 2025
- 4]
referteverklaring d.d. 10 mei 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑08‑2025
Beschikking rechtbank, onder rov. 2.2–2.7.
Conclusie A-G Lückers d.d. 6 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022;704, rov. 2.10-2.11.
Vgl. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 met noot J. Legemate.
Vgl. HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972, rov. 3.2.2; HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, rov. 3.2; HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, rov. 3.2; HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, rov. 3.2.
Vgl, HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1138, rov. 3.3; HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, rov 3.3; HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2O22:1837, rov. 3.3.
Beschikking rechtbank, onder rov. 2.2, 2.3 en 2.5.
Vgl. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.2; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, rov. 3.2.1; HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726, rov. 3.2.
Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.1.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, rov. 3.3.
Vgl. HR 12 juli 2024, ECLl:NL:HR:2024:1076, rov. 3.3.2.