Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.1
V.1 Het Concordaat van Wenen (1448)
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS386574:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
A. Mercati, Raccolta di Concordati su materie ecclesiastiche tra la Santa Sede e le Autorità civili, Vaticaanstad 1954, I, XXVIII, 177-185: het Concordaat van Wenen. Zie ook: ARAB AUD 1412/12 (1).
De paus was bereid toegevingen te doen bij de verlening van de beneficies. De constitutiones ‘Execrabilis’ van Johannes XXII (Extrav. Io. XXII.3.1) en ‘Ad regimen’ van Benedictus XII (Extrav. Com. 3.2.13) werden verzacht.
De ‘vicena milia passuum’ van de Romeinen (D.2.11.1) zijn bij rechtszaken overgenomen in het canonieke recht: X.1.3.28 en later vervangen door één dagreis: VI.1.3.11.
J. García Martí, Exención, in: DGDC, III, 844-847.
Noteer in dit verband dat men bij de paus ook een indult kon aanvragen om van de vruchten te genieten zonder aanwezig te zijn: indultum percipiendi fructus in absentia. Op hetzelfde principe was de brief, genaamd ‘significamus’, gebaseerd.
P. Harsin, Le règne d’Érard de la Marck, 1505-1538. Études critiques sur l’histoire de la principauté de Liège 1477-1795, Liège 1955, II, 454-455, nr. XIII. Zie ook ARAB AUD 1412/12 (2) en S. Dubois e.a., Les institutions publiques de la principauté de Liège (1980- 1794), Bruxelles 2012, I, 196.
S. Dubois, Les institutions, I, 212.
K. Lanz, Aktenstücke und Briefe, Wien 1853 (Monumenta Habsburgica, II, 1, 98).
H. Dessart, Les indults accordés aux évêques de Liège, in: BIHBR 24 (1947-1948) 49-121, vooral 104 en 107.
Acta & decreta Synodi dioecesanae Cameracensis, praesidente Reverendissimo in Christo patre, ac Illustrissimo Principe Domino, D. Roberto de Croy, Episcopo & Duce Cameracensi, Sacri Imperii Principe, Comite Cameracensii, &c. celebratae anno Redemptoris nostri Iesu Christi, M.D.L. mense Octob. Item, Antiqua statuta synodalia Cameracensis dioecesis ab eadem synodo recognita, adiectisque moderationibus, correctionibus, & additionibus reformata. His adiuncta est formula reformationis per Caesaream maiestatem statibus Ecclesiasticis, in Comitiis Augustanis, ad deliberandum proposita, & ab eisdem recepta & probata, Parisiis 1551.
Acta et decreta synodalia ecclesiae Leodiensis, sub Georgio ab Austria & Ferdinando Episcopis. Formula Reformationis Caroli V. A Statibus Ecclesiasticis Germaniae & Belgii Episcopis approbata. Decreta quaedam variorum superiorum Ecclesiasticorum. Accedunt Statuta Archidiaconatus Hasbaniae &c. Bruxellis MDCCXII. Zie ook: books.openedition.org/ pulg/1194 E. Pièces justificatives, nr. XXI (2 november 1548): tegen concubines van clerici.
R. Post, Karel V’ Formula reformationis en haar toepassing in Nederland 1548-1549, in: Mededeelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, NR, 10, afd. Letterkunde, nr. 7, 173-197. Zie ook het verslag van de diocesane synode te Utrecht (12- 19 februari 1549): J. Joosting, Provinciale en synodale statuten (4) en Seendrechten (5), ’s- Gravenhage 1914 (Werken OVR, 2, 16) V, 257-270; J. Kuys, Repertorium, 35-36 en L. Bogaers, Aards, betrokken en zelfbewust. De verwevenheid van cultuur en religie in katholiek Utrecht, 1300-1600, Utrecht 2008, 273-276.
R. Post, Karel V’ Formula reformationis en haar toepassing in Nederland, 1548-1549, in: Mededeelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, NR, 10, afd. Letterkunde, nr. 7, 173-197.
J. Le Plat, Monumentorum, IV, 161-163: Brussel, 27 mei 1550.
U. Machoczek, Deutsche RTA, II, 1961. Het was de laatste Rijksdag, waar vader en zoon Perrenot samen aanwezig zouden zijn: M. van Durme, El cardenal Granvela, 98.
ARAB AUD 1412/13 (3).
U. Machoczek, Deutsche RTA, II, 1985-1989.
J.B. Christyn, Placcaeten ende ordonnantiën vande Hertoghen van Brabandt Princen van dese Neder-landen, Brussel 1661, III, 179-186.
B. Roosens, Habsburgse defensiepolitiek en vestingbouw in de Nederlanden (1520-1560), Leiden 2005, 2 dln. Zie vooral figuur 11, waar blijkt dat tweeëntwintig plaatsen met garnizoenen na de vrede van Cateau-Cambrésis (1559) de grens met Frankrijk moesten beveiligen. Zie ook figuur 4 (Franse grensgebied in de eerste helft van de zestiende eeuw) en figuur 49 (de citadel te Kamerijk in 1609).
ARAB AUD 55, fo 108 ro en 129 ro, waar steun van het Heilige Roomse Rijk werd verwacht.
J. Helmrath, Locus concilii. Die Ortswahl für Generalkonzilien vom IV. Lateranum bis Trient, in: Annuarium historiae conciliorum: internationale Zeitschrift für Konzilienforschung 27 (1995) 593-662, vooral 658.
A. de Groot en E. Coppens, Manuscripta canonistica Latina, Nijmegen 1989, nrs. 1145, 1216 en 1256.
F. Gaude, Bullarum … Taurinensis editio, VI, nr. XLIX, 169-171: 1 juli 1534.
G. De Smet, Privilegia nominationum Lovaniensium, Gandavi 1665, 56-58. Zie ook F. Pinsson, Inventaire des indults, II, 1165-1168.
ROPB, II, 6, 419-420. Zie ook: Gelders Archief, Archief van het Hof van Gelderland en Zutphen (bloknr. 0124), inv. Nr. 4937, dossiernr. 43. Wij bedanken drs. Maarten Gubbels voor deze laatste verwijzing. De tekst van het Concordaat van 1448 is ook door Google gedigitaliseerd naar het exemplaar van de Gentse Universiteitsbibliotheek.
E. Leoninus, Centuria consiliorum, Antverpiae 1584, Consilium quinquagesimum, 212- 218: Germanicae nationis concordata celebrata cum Pontifice Romano super electionibus Episcoporum & aliorum Praelatorum defenduntur.
L. Gross en R. von Lacroix, Urkunden und Aktenstücke des Reichsarchivs Wien zur reichsrechtlichen Stellung des Burgundischen Kreises, Wenen 1944, II, nr. 522, 96-98: Augsburg, 14-8-1555.
A.-M. Pietresson de Saint-Aubain, Archives départementales du Nord. Répertoire numérique, Lille 1960, I, 7 G 542, fol. 59: Recueil factice d’actes concernant les bénéfices (XVIIe s.).
A. Castan, Catalogue général, t. XXXIII, Besançon, Paris 1900, 428: Instrumentum concordatorum inter S. Sedem apostolicam et nationem almanicam (1448-1554). Bovendien moet men in Besançon rekening houden met de ‘gardienneté des bénéfices de la cité de Besançon’, I, 421, II, 581, 732 en 734.
A. Castan, Catalogue général, I, 584.
A. Castan, Catalogue général, II, 662.
A. Castan, Catalogue général, II, 661.
A. Castan, Catalogue général, II, 413. Zie ook II, 415, waar de instituties vermeld staan.
Na het Westers Schisma bracht de conciliaire theorie verwarring in de christenheid: aan wie behoorde het gezag in de kerk: aan het Concilie of aan de paus? De paus moest zich inspannen om de aanhangers van het primaat van de bisschop van Rome te ondersteunen. De ‘oboedientia’ aan de paus stond onder spanning. Europa was toen kerkelijk en wereldlijk verdeeld in ‘nationes’. Voor de bijeenroeping van een Oecumenisch Concilie kwam uit de belangrijkste Europese staten het grootste aantal concilievaders. Voor alle Europese staten was een traject van vroegmoderne staatsvorming op gang gekomen. Met de grootste ‘nationes’ kon de paus concordaten aangaan;1 met de kleinere ‘gebieden op weg naar staatsvorming’ onderhandelde de paus vaak over indulten.
De verlening van de kerkelijke beneficies in het Heilige Roomse Rijk was sinds het Westers Schisma hervormd. De paus was te ver gegaan in zijn ijver om reservaties en expectatieven uit te breiden. De terugkeer naar het ‘ius commune’ en naar het oude kerkelijke beleid bleek de beste weg.2 Daarbij heeft paus Nicolaas V het zich veroorloofd om gunsten uit te delen aan Frederik III ten nadele van de patronen en de gewone collatores, in de eerste plaats de bisschoppen. In het Concordaat kan men vier hoofdstukken onderscheiden.
Bij vacatie in het Romeinse Hof van een wereldlijk of regulier beneficie met of zonder zielzorg benoemde de paus. Wie in Rome stierf of op twee diaetae3 (dagreizen) van Rome zou door de paus vervangen worden. De paus had ook het recht te benoemen bij om het even welk beneficie, waar de door de paus benoemden al voorzien waren op het ogenblik van hun promotie. Het verkiezingsrecht werd hersteld in alle metropolitane kerken en kathedralen, hetzij ze exempt4 waren of niet, en in alle exempte kloosters. Bij kloosters, die niet rechtstreeks onder Rome vielen, werd rekening gehouden met de gevestigde gebruiken. Alle andere waardigheden en alle andere wereldlijke en reguliere beneficies waren onderhevig aan het ‘ius commune’ en aan de gewone collatores. De paus had niet het recht om tussen te komen in een vacature, die binnen de maanden februari, april, juni, augustus, oktober en december viel. Indien de paus niet tijdig van zijn recht in de overige maanden gebruik maakte, dan kon de gewone collator zelf voorzien. Annaten moesten betaald worden voor kathedralen en voor alle mannenkloosters. De vruchten van het eerste jaar moesten afgedragen worden volgens de belastingen, vastgesteld in de Camera Apostolica. Voor andere beneficies moest de helft van de vruchten betaald worden in het jaar van het vreedzaam bezit (medii fructus). Beneficies met een jaarlijkse waarde, die lager was dan vierentwintig goudgulden, waren niet onderhevig aan betaling.5
Op de datum van 11 juli 1518 zijn er in Augsburg drie ordonnanties gegeven, waarbij Maximiliaan in één van die documenten de strikte naleving vroeg van het Concordaat van Wenen voor het bisdom Luik.6 In datzelfde jaar werd te Sint-Truiden het verdrag gesloten, waarbij Érard de La Marck, de Luikse bisschop, zich opwierp als een bondgenoot van de Habsburgers en hij het Franse kamp verliet. Om de banden tussen Luik en de keizer nog te verstevigen bevestigden zowel Maximiliaan I (24 juni 1518) als Karel V (27 juli 1521) alle privileges van de bisschoppen en van de kerk van Luik.7 In de geheime instructie voor Margareta van Oostenrijk (Barcelona, 1 juli 1519) gaf Karel zijn tante de opdracht om hem de geleende dertigduizend ponden van veertig groten terug te geven, maar vooral om de eeuwige alliantie met Luik goed te onderhouden en om ervoor te zorgen dat een coadjutor werd aangesteld voor Érard de La Marck. Tevens moesten de jurisdictiegeschillen met Maastricht en Brabant op de voet gevolgd worden. Dit waren voortaan speerpunten van de buitenlandse politiek.8
Aan de Luikse bisschop werden ook afzonderlijke indulten verleend. Vergelijken we een indult voor Érard de La Marck van 24 juli 1533 met een indult voor Joris van Oostenrijk van 17 juni 1555, dan valt het op dat bij de verlening van de beneficies de naleving van het Concordaat van Wenen gevraagd werd. De invloed van deze indulten is tot dusver goed in kaart gebracht, maar hoe de uitwerking ervan in grote delen van de Nederlanden vorm kreeg, blijft een wenspunt.9 Het belangrijkste initiatief om de hervorming van het katholiek geloof op een hoger plan te brengen in de Nederlanden, onderworpen aan het Concordaat van Wenen, was een reformatiepoging vanuit het Heilige Roomse Rijk. Op de Rijksdag van Augsburg van 1548 werd de ‘Formula reformationis’ aangenomen voor allen, die het oude katholieke geloof aanhingen.10 Deze ‘Formula reformationis’ zou van toepassing zijn in de bisdommen Kamerijk,11 Luik12 en Utrecht.13
Op 14 juni 1548 werd deze ‘Formula reformationis’ te Augsburg vastgelegd. Karel V vroeg toen aan de bisschop van Kamerijk, Robert de Croy, om deze wetgeving ook toe te passen in zijn patrimoniale gewesten. Hierdoor kwam ook het bisdom Utrecht in het vizier.14 De keizer wilde dat corruptie en graaizucht werden uitgeroeid. Hij voegde eraan toe: ‘Ik zou liever vaststellen dat deze maatregelen van jullie komen en van andere kerkprelaten.’15 Maar wat gebeurde er in de bisdommen Terwaan, Atrecht en Doornik? De handtekening van Antoine Perrenot, bisschop van Atrecht, stond nochtans onder de begeleidende brief van 9 juli 1548.16
De bisschop van Luik, Joris van Oostenrijk, rapporteerde in een memorie van 3 juni 1550 aan Antoine Perrenot over de toepassing van het Concordaat van Wenen in zijn bisdom. Uiteraard is het hier niet de plaats om daarop in te gaan,17 want het indult werd niet vermeld in de ‘Formula reformationis’. De ‘ambitio’ en de ‘simonia’ werden er als de zwaarste vergrijpen tegen een echte hervorming verworpen. Kapittel 18 ‘de pluralitate beneficiorum’ verwees eens te meer naar de ‘cupiditas’ of ‘avaritia’ als de wortel van alle kwaad (‘R.O.M.A.’), maar ook naar de residentieplicht. Voor de rechtbank van God zou men eenmaal rekenschap dienen af te leggen. De theorie was wel bekend, maar wat gebeurde er nog steeds in de praktijk?18 Over de echte naleving van het Concordaat van Wenen is tot dusver weinig onderzoek verricht. Zo stelt men vast dat het onderzoek van de wederzijdse verhoudingen tussen het Heilige Roomse Rijk en de Nederlanden al decennia slechts mondjesmaat vooruitgaat. Ook in het verleden was men niet alert en nam Christyn het Concordaat van Wenen slechts op in het derde Placcaatboek van Brabant.19
Hetzelfde verhaal keert weer met betrekking tot het bisdom van Kamerijk. Ook daar is het Concordaat van Wenen bij herhaling gepubliceerd, maar het onderzoek naar de naleving ervan is voor verbetering vatbaar. Toch hebben de bisschoppen van Kamerijk zich degelijk ingespannen om de godsdienstige toestand van Kamerijk tot Antwerpen in goede banen te leiden. Hier moet opgemerkt worden dat Kamerijk in de bul ‘Super universas’ voor de oprichting van de nieuwe bisdommen afgescheiden werd van het aartsbisdom Reims.
Daarvoor had Karel V de weg bereid. In 1542 werd het Concordaat van Wenen door een nieuwe ordonnantie aangescherpt, maar de bouw van een bolwerk nabij Kamerijk en de vrede van Crépy-Meudon (1544) moesten de relatie met het Rijk militair en volgens het internationaal recht verder ondersteunen.20 Het grote nadeel bestond erin dat Kamerijk zo dicht bij Parijs lag en dat handhavingsintrumenten op internationaal vlak niet bestonden. De neutraliteit van Kamerijk had alleen betekenis, zolang Karel V op de samengestelde staat kon rekenen.21 Kamerijk werd als alternatief voor Trente naar voren geschoven om het Oecumenisch Concilie te herbergen (locus Concilii)22 met goedkeuring van de Franse koning.
In het Domkapittel van Utrecht wordt nog een exemplaar van de tekst van het Concordaat (1448) bewaard, terwijl daar ook een bul is van Sixtus IV uit het jaar 1472, waarin werd bevestigd dat de bisschop en de clerus het Concordaat konden gebruiken en dat dit in de toekomst zo bleef. Ook in het kapittel van Oudmunster zijn afschriften van het Concordaat en gerelateerde stukken bewaard.23
Zeven jaar na het Sacco di Roma meldde Clemens VII dat hij gehoord had dat prelaten en vorsten van de Germaanse Natie vanaf 1527 collaties verrichtten en wederrechtelijk regelingen troffen over de kerkelijke beneficies, die voor de paus en de H. Stoel gereserveerd waren. Ondanks de bul ‘In Coena Domini’, jaarlijks herhaald, had niemand zich daaraan gestoord. De paus wilde dat de collaties vernietigd werden en dat de bezitters te kwader trouw de vruchten teruggaven.24 Op 14 september 1554 vaardigde ook Julius III een verklaring uit, waarbij hij aandrong op de naleving van het Concordaat van de Germaanse Natie. Zowel in het bisdom Kamerijk, het bisdom Luik, het bisdom Utrecht als in het bisdom Besançon was dit het geval.25
Op 9 februari 1555 stuurde Karel V een bericht aan de bisschop van Kamerijk en aan alle collatoren van beneficies in dat bisdom om het Concordaat van Wenen ongeschonden uit te voeren. Onder bedreiging van straffen werden de onderdanen gewaarschuwd om misbruiken te vermijden. In Leuven werd dit bevel uitgegeven met herhaling van de tekst van Maximiliaan (11 juli 1518) en met de tekst van het Concordaat van Wenen van zijn vader Frederik III (1448).26 Toen Maximiliaan van Bergen later de eerste aartsbisschop van Kamerijk werd, schreef Elbertus Leoninus een advies ter verdediging van het Concordaat.27
Als een laatste signaal uit de periode vóór de abdicatie van Karel V is een brief van de Rooms-Koning Ferdinand van groot belang om de complexiteit van de situatie te schetsen. Op 14 augustus 1555 schreef hij uit Augsburg de bisschop, het kathedraal kapittel en de stad Kamerijk aan. Aanleiding was een klacht van Jean de la Pierre, gekozen abt en het convent van Sint-Andreas in Cateau-Cambrésis bij de Rooms-Koning en bij de Stände van het Heilig Roomse Rijk. De pauselijke legaat Geronimo Dandino had na het overlijden van abt Jean Cauchie van de abdij Sint-Andreas de verkiezing van Jean de la Pierre ongedaan gemaakt en in een proces voor de Rota was deze juridische ingreep bekrachtigd. Ferdinand verwees naar het canonieke recht, de regel van Sint-Benedictus, de aanval tegen de privileges van het klooster, de Formula reformationis en tweemaal naar het Concordaat om zijn vraag te adstrueren.28 Een procurator van Dandino had al bezit genomen van het klooster. Jean de la Pierre was geëxcommuniceerd en wat zou het vervolg zijn van de procedure voor de Rota? In die omstandigheden vroeg Ferdinand aan Robert de Croy dat Jean de la Pierre in het bezit van zijn abdij zou bewaard worden. Tegen hem mocht geen dagvaarding doorgaan. De excommunicatie mocht niet gepubliceerd worden.
Terwijl Filips II in 1559 nog in de Nederlanden vertoefde, heeft zijn oom Ferdinand I, die ondertussen zijn broer Karel V als keizer had opgevolgd, nog een open brief gestuurd naar de bisschop van Kamerijk en naar de clerus van hetzelfde bisdom, waarin ze gevraagd werden om de voorschriften uit het Concordaat van Wenen over de collatie van beneficies te respecteren.29 Door soortgelijke maatregelen haalden de Habsburgers zich de woede van de Fransen op de hals, want beide takken van deze dynastie ondersteunden hun acties, zodat Frankrijk in het verdrag van Münster de scheiding van dit vorstelijk huis realiseerde.
Last, but not least was er het bisdom Besançon. In het grootste deel van het Vrijgraafschap was het bisdom Besançon competent in kerkelijke aangelegenheden, maar de stad Besançon zelf was een stad van het Heilige Roomse Rijk.30 Bovendien ontkwam men ook hier niet aan de versnippering, want sommige beneficies in het Vrijgraafschap waren afhankelijk van het bisdom Langres en van het aartsbisdom Lyon.31 In de collectie van Jules Chiflet, kanunnik en vicaris-generaal te Besançon, bevond zich nog een gedrukt exemplaar uit 1597 van de ‘Concordata Nationis Germanicae cum sancta Sede apostolica’.32 In diezelfde verzameling van documenten bevond zich ook een overzicht van de collaties van kerkelijke beneficies door de vorsten. Omdat deze auteur zich in 1648 verdiepte in deze materies en hij historisch zeer geïnteresseerd was, blijft dit dossier voor ons onderwerp waardevol. Deze collaties waren trouwens verstrekt op basis van apostolische indulten en andere op basis van het recht van de Eerste Beden.33
Niet onbelangrijk is ten slotte de behandeling van het kiesrecht. Het kapittel van Besançon bezat het recht om de aartsbisschop te kiezen. Dit recht was bevestigd door Alexander IV (1261) en door Paulus III (1543). Dit betekende dat het Concordaat van Wenen hier een versterking betekende tegen de pogingen van de vorst om zelf meer invloed op deze verkiezing uit te oefenen.34 Dat verhinderde niet, dat Antoine Perrenot hier als aartsbisschop zijn levensdagen kon eindigen.