Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.5.3:9.5.3 Specifiek moment van uitoefenen optie
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.5.3
9.5.3 Specifiek moment van uitoefenen optie
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS348268:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.5.2 onder c.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zodra het stichtingsbestuur heeft vastgesteld dat de uitoefening van de optie geoorloofd is, moet bepaald worden wat het juiste moment is voor de uitgifte van de beschermingsprefs. Gaat het om een vijandig bod, dan zal de uitgifte ten doel hebben het verhinderen dat de vijandige bieder de meerderheid van de aandelen in de vennootschap verwerft.1 Met die meerderheid kan de vijandige bieder de besluitvorming in de algemene vergadering naar zijn hand zetten en zal hij uiteindelijk de bestuurders en commissarissen kunnen vervangen. Dat zal hij eerst doen indien hij een bepaald percentage van het geplaatste aandelenkapitaal heeft verworven en voorts alleen als er een algemene vergadering plaatsvindt die al dan niet op zijn verzoek wordt uitgeschreven. Aannemelijk is dan dat uitoefening van de optie niet snel na het uitbrengen van het bod plaatsvindt. Het kan ook zo zijn dat niet voldoende duidelijk is wat de plannen van de bieder en de gevolgen voor de vennootschap zijn. In dat geval kan de uitgifte van beschermingsprefs vooral ten doel hebben om de status quo te handhaven en overleg met de bieder te faciliteren. Bij dit alles is van belang dat de beschermingsprefs na aankondiging van een openbaar bod niet langer dan twee jaar kunnen uitstaan, althans voor zover de stichting geen verplicht bod wenst uit te brengen. Vanuit die optiek zou niet te snel tot uitoefening van de optie overgegaan moeten worden.
Gaat het om een ongewenste concentratie van stemmenmacht, dan zou de stichting de optie alleen moeten uitoefenen indien er een algemene vergadering is gepland. Dat zal het geval zijn indien sprake is van een activistische aandeelhouder die een voorstel heeft geagendeerd dat niet de steun heeft van de vennootschapsleiding. Ook kan het zo zijn dat het in het belang is van de vennootschap dat bepaalde besluitvorming door de algemene vergadering plaatsvindt. Uitoefening van de optie in een situatie waarin een activistische aandeelhouder achter de schermen druk probeert uit te oefenen op de vennootschapsleiding zonder voorstellen in stemming te brengen in een algemene vergadering, is niet opportuun.
In het algemeen geldt uiteraard dat een vroege uitgifte van beschermingsprefs extra kosten met zich meebrengt. Hoe langer de beschermingsprefs uitstaan, des te meer rente de stichting moet betalen. Vanuit dit oogpunt is het dus zaak dat de uitgifte zo laat mogelijk plaatsvindt. Voorts speelt de registratiedatum een rol bij het moment van uitoefening van de optie. De beschermingsprefs zijn slechts effectief indien de stichting daarop ook het stemrecht kan uitoefenen in een algemene vergadering. Dat betekent dat de beschermingsprefs op de registratiedatum geplaatst moeten zijn en dat uitoefening van de optie op tijd moet geschieden. Ik verwijs naar hoofdstuk 10, alwaar ik de problematiek rondom beschermingsprefs en de registratiedatum aan de orde stel.