Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.5.4
8.5.4 Uitstel; ABN Amro
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197007:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79 (ABN Amro). De voorziening luidt: “verbiedt ABN AMRO Bank N.V. en voor zoveel nodig ABN AMRO Holding N.V. (…) bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding over te gaan tot (verdere) uitvoering van, of (verdere) medewerking te verlenen aan enige handeling ter uitvoering van de Purchase and Sale Agreement inzake de aandelen in ABN AMRO North America Holding Company, gesloten op 22 april 2007 tussen ABN AMRO Bank N.V. en Bank of America Corporation, dan wel over te gaan tot het nemen van enig ander besluit als gevolg waarvan (de onderneming van) ABN AMRO North America Holding Company onderscheidenlijk haar groepsvennootschappen geheel of gedeeltelijk wordt onderscheidenlijk worden vervreemd, zonder voorafgaande goedkeuring van de (buitengewone) algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding N.V. tot het aangaan van die overeenkomst”. Zie voor de casus ook nr. 2 en 3.
Of de verplichting tot levering van LaSalle nog kon worden nagekomen als de onmiddellijke voorziening na de beoogde leveringsdatum zou expireren – met andere woorden: of een ‘harde’ datum was afgesproken – valt evenmin uit de beschikking af te leiden. Die mogelijkheid blijft hier onbesproken (zie nr. 221). Gelet op de rechtsstrijd die in deze zaak na de eerste beschikking is gevolgd, moet worden aangenomen dat met latere levering niet meer aan de verbintenis kon worden voldaan.
De contractspartners konden de overeenkomst beëindigen als op 1 mei 2008 de aandelen niet geleverd waren. De koopovereenkomst bevatte een go shop regeling, die voorziet in beëindiging van de overeenkomst in geval van een hoger bod van een andere partij met een toepasselijk tijdschema (r.o. 2.16).
Het valt op dat de Ondernemingskamer overweegt dat de uitvoering van de koopovereenkomst vooralsnog moet worden opgeschort totdat de aandeelhouders zich “hebben kunnen uitspreken” (r.o. 3.25). In het dictum staat “voorafgaande goedkeuring”. Die discrepantie is in cassatie aan de orde gesteld. De beschikking is om andere redenen gecasseerd.
[299] In de zaak ABN Amro werd bij onmiddellijke voorziening verboden uitvoering te geven aan de koopovereenkomst.1 Of de maatregel tot uitstel van de prestatie zou hebben geleid, is op grond van de beschikking niet met zekerheid te zeggen. Uit de beschikking valt namelijk de beoogde leveringsdatum niet af te leiden.2 Tijdsdruk in de overeenkomst blijkt overigens wel uit de beschikking.3 Verder ontbreekt een expiratiedatum van de voorziening. Met de voorziening werd beoogd te voorkomen dat werd gepresteerd (geleverd) voordat de algemene vergadering van aandeelhouders zich over de overeenkomst had uitgelaten. Hoewel het niet expliciet een voorwaarde voor beëindiging wordt genoemd, volgt uit het dictum dat de voorziening zal zijn uitgewerkt indien “goedkeuring van de (buitengewone) algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding N.V. tot het aangaan van die overeenkomst” wordt verkregen.4 In zoverre had ABN Amro – in theorie – enige invloed op de voorziening: zij kon de koopovereenkomst voorleggen aan haar aandeelhouders, met goedkeuring als mogelijk resultaat.