Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.6.4:11.2.6.4 Meewerkplicht en zwijgrecht in beroep
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.6.4
11.2.6.4 Meewerkplicht en zwijgrecht in beroep
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940207:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband in het bijzonder paragraaf 11.2.6.2.
Ook de Redactie Vakstudie-Nieuws signaleert dit probleem in de Aantekening bij HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20,
Aldus ook: Haas 2012, p. 239.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 301.
Artikel 6:5 en artikel 6:6 Awb.
Zie paragraaf 15.4.3.2. Het gaat hier naar mijn mening ook niet om een echte, door middel van sancties afgedwongen ‘verplichting’ om (belastend) te verklaren.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in de beroepsfase bestaan voor de boeteling verschillende meewerkverplichtingen, vooral in het zogeheten vooronderzoek. Uiteraard bestaan die verplichtingen in deze fase niet ten overstaan van de inspecteur, maar ten overstaan van de rechter. De Awb verplicht partijen bijvoorbeeld om de rechter de door hem verlangde mondelinge of schriftelijke inlichtingen te geven.1 Ook moeten zij stukken overleggen.2 De procesrechtelijke sanctie op het weigeren daarvan is dat de rechter daaruit ‘de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen’.3 Naar mijn mening vloeit uit dit samenstel van bepalingen en gevolgen voort, dat de vereiste dwang ook in de beroepsfase aanwezig is. Het zwijgrecht en de cautie gelden in beroep echter evenzeer (art. 8:28a Awb). Hetgeen in het voorgaande is opgemerkt ten aanzien van de beperkte reikwijdte en betekenis van het gecodificeerde zwijgrecht en ten aanzien van de cautie, geldt ook voor de beroepsfase.4
Vanzelfsprekend speelt in beroep ook het probleem van de gemengde vragen een rol.5 Enerzijds moet de boeteling antwoorden om te voorkomen dat het zwijgen in zijn nadeel zal werken voor de heffing. Anderzijds mag hij zwijgen om zichzelf ten overstaan van de rechter niet onnodig te belasten. De boeteling weet daarbij dat zijn beroep tegen de aanslag en zijn beroep tegen de boete door dezelfde rechter worden behandeld. Die rechter zal zich daarom steeds moeten realiseren dat een verplicht afgelegde verklaring inzake de aanslag niet als bewijsmiddel voor de boete mag dienen.6 Ook in beroep gelden immers de uit art. 6 EVRM afgeleide en door het EHRM ontwikkelde rechtsregels: de rechter zal dus geen informatie van de boeteling mogen verlangen waarvan het bestaan van zijn wil afhankelijk is.7
Ten slotte wijs ik nog op de mogelijkheid dat een bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de boeteling (ook na een rappel) geen motivering geeft.8 Vanwege de summiere motiveringsvereisten levert dat volgens de Hoge Raad geen ongeoorloofde dwang in de zin van het nemo tenetur-beginsel op.9