Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3.2.1.2
2.3.2.1.2 Het evenredigheidsbeginsel
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496616:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 mei 1986, nr. C-222/84, Jur. 1986, p. 206 (Johnston).
In HvJ 13 november 1990, nr. C-331/88, Jur. 1990, p. 391 (Fédesa) brengt het HvJ in herinnering (r.o. 13) dat maatregelen slechts wettig zijn wanneer zij geschikt en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, ‘met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zicht brengt en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel’.
Zie ook pt. 47 e.v. van de conclusie van A-G Kokott bij HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura). Weber, Cursus Belastingrecht EBR.4.0.6.B onderscheidt nog een element, namelijk de toepassing van het evenredigheidsbeginsel sensu stricto. Dit element noopt ertoe een afweging te maken tussen het nationale belang bij de verzekering van het doel enerzijds en het communautaire belang bij de verzekering van het vrije verkeer anderzijds. Op het evenredigheidsbeginsel is overigens meer dan bij andere beginselen moeilijk grip te krijgen, aangezien het gaat om een open norm en een duidelijk referentiekader ontbreekt (Weber, Cursus Belastingrecht EBR.4.0.6.A en Chin-Oldenziel, Cursus Belastingrecht EBR.6.5.2.E).
Zie ook paragraaf 3.3.6.1.1.
Waarschijnlijk wordt hiermee gedoeld op het gelijkheidsbeginsel.
HvJ 21 februari 2008, nr. C-271/06, V-N 2008/11.16 (Netto Supermarkt).
Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat een maatregel geschikt, passend en noodzakelijk moet zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen.1 Daarnaast dient een maatregel evenwichtig te zijn.2 Het evenredigheidsbeginsel impliceert dat de ter omzetting van een richtlijn gebruikte middelen geschikt moeten zijn om de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken en niet verder mogen gaan dan nodig is om die doelstellingen te bereiken.3
Een voorbeeld waarin het evenredigheidsbeginsel een rol speelde bij de beslissing van het HvJ betreft het hiervoor in paragraaf 2.3.1.2 besproken Goldsmiths (Jewellers)-arrest.4 In dat arrest overwoog het HvJ in navolging van A-G La Pergola dat een nationale regeling, op grond waarvan verlaging van de maatstaf van heffing bij niet-betaling werd uitgesloten voor transacties waarbij de tegenprestatie niet in geld, maar in natura bestond, strijdig is met het Unierecht. In zijn conclusie bij dit arrest overwoog de A-G dat het HvJ bij de vaststelling van de draagwijdte van ‘kan’-bepalingen niet voorbij kan gaan aan het evenredigheidbeginsel. Hij stelde:
“27. Laat mijn thans dit in de rechtspraak vastgelegde criterium [het evenredigheidsbeginsel; BH] toepassen op de omstandigheden van het geval. Ofschoon transacties in natura een groter risico van belastingontwijking met zich meebrengen dan transacties in geld, is dit niet toereikend om de wel zeer radicale keuze van de Engelse wetgever te rechtvaardigen. De regeling die deze heeft vastgesteld, streeft een doel na dat in theorie verdedigbaar is; in de praktijk echter is het in afwijking van de richtlijn ingevoerde verschil in behandeling tussen overeenkomsten waarbij de tegenprestatie in geld bestaat en die waarbij een tegenwaarde in natura wordt overeengekomen, in strijd met een beginsel dat in acht had moeten worden genomen, namelijk dat van de belastingneutraliteit.
28. Dit beginsel is mijns inziens zeer nauw verbonden met het beginsel van non-discriminatie5 en brengt in de omstandigheden van de onderhavige zaak met zich mee, dat transacties in natura op dezelfde wijze moeten worden behandeld als transacties in geld. De belastingneutraliteit vereist met name, dat die andere economische activiteiten gelijk worden behandeld, teneinde distorsies van het meer algemene, gemeenschappelijke BTW-stelsel ten gevolge van irrelevante en ongerechtvaardigde verschillen, te voorkomen.”
Het evenredigheidsbeginsel speelde eveneens een rol van betekenis in het arrest Netto Supermarkt.6 In dit arrest betrof het een supermarktketen die aan Poolse klanten de door hen betaalde btw retourneerde wanneer zij konden aantonen dat zij de gekochte boodschappen hadden uitgevoerd (Polen behoorde toen nog niet tot de EU). Enkele klanten maakte echter gebruik van vervalste voorgeschreven uitvoerdocumenten, waarop de belastingdienst een groot deel van de niet door Netto Supermarkt afgedragen btw (zij had de btw-vrijstelling wegens uitvoer toegepast) navorderde. Op grond van het Duitse recht kon niettemin de btw-vrijstelling worden toegepast als de leverancier niet kon weten dat de stukken van de klanten onjuist waren. Ten aanzien van de vraag of deze regeling in strijd was met de Zesde richtlijn memoreerde het HvJ allereerst dat de lidstaten de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, steeds moeten naleven bij de uitoefening van de aan hen door de btw-richtlijnen gegeven bevoegdheden. Het HvJ vervolgt en ik citeer:
“19. Wat meer bepaald het evenredigheidsbeginsel betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten in overeenstemming met dit beginsel middelen moeten aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de betrokken gemeenschapsregeling zo min mogelijk aantasten (…).
20. Ofschoon het bijgevolg legitiem is dat de maatregelen van de lidstaten de rechten van de schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, mogen zij niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is (…).
21. In dit verband moet worden opgemerkt dat op het gebied van de btw de leveranciers optreden als belastingontvangers voor rekening van de staat en in het belang van de schatkist (…). Deze leveranciers dienen de btw af te dragen, ook al wordt deze, als verbruiksbelasting, uiteindelijk door de eindgebruiker gedragen (…).”
Dit is de reden dat lidstaten ter voorkoming van belastingfraude soms hoge eisen mogen stellen aan de op de leveranciers rustende verplichtingen. Bij de verdeling van het risico over de leverancier en de belastingdienst moet echter wel het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Het HvJ vervolgt:
“23. Dit kan niet het geval zijn wanneer een regeling de leverancier, ongeacht of hij al dan niet bij de fraude van de afnemer betrokken is [cursivering; BH], de volle verantwoordelijkheid voor de betaling van de btw oplegt (…). (...) [Het] zou kennelijk onevenredig zijn om een belastingplichtige aan te spreken voor een tekort aan belastinginkomsten dat is veroorzaakt door frauduleus handelen van derden waarop hij geen enkele invloed heeft.”
Mede onder verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel komt het HvJ dan ook tot de conclusie dat het Unierecht zich niet verzet tegen de Duitse regeling.