Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3.2.1
2.3.2.1 Rechtsbeginselen van primair Unierecht
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496962:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Chin-Oldenziel, Cursus Belastingrecht EBR.6.0.2.E. Met grondwettelijk wordt gedoeld op primaire bronnen van de EU, waaronder het VWEU. De beginselen worden expliciet in deze bronnen genoemd of zijn daarin impliciet versleuteld. Zie ook Bomer 2012, p. 130, die aan de hand van door hem aangehaalde rechtspraak concludeert dat de algemene rechtsbeginselen tot het primaire Unierecht moeten worden gerekend.
Het betreft dus geen uitputtende lijst. Voor een uitgebreide behandeling van algemene rechtsbeginselen verwijs ik naar Weber, Cursus Belastingrecht EBR.4. Tot de algemene rechtsbeginselen behoren bijvoorbeeld ook de grondrechten. Hiervan zijn er inmiddels (let wel) 54 vastgelegd in het Handvest EU.
Chin-Oldenziel, Cursus Belastingrecht EBR.6.5.2.A. Een uitzondering geldt voor het verdedigingsbeginsel. Tevens lijkt een uitzondering te bestaan voor het beginsel van misbruik van recht, althans in het beginsel dat hij die zich schuldig maakt aan misbruik van Unierecht de toegang tot dat recht wordt ontzegd.
Rechtsbeginselen die behoren tot het primair Unierecht worden ook wel algemene rechtsbeginselen of rechtsbeginselen met een grondwettelijk karakter genoemd.1 Voorbeelden hiervan zijn:2
het rechtszekerheidsbeginsel;
het vertrouwensbeginsel;
het gelijkheidsbeginsel;
het evenredigheidsbeginsel;
het doeltreffendheidsbeginsel;
het legaliteitsbeginsel;
het motiveringsbeginsel;
het verdedigingsbeginsel; en
het beginsel dat bij fraude of misbruik toegang tot het Unierecht wordt ontzegd (waaronder misbruik van recht).3
Deze beginselen met een grondwettelijk karakter heeft volgens Chin-Oldenziel (Cursus Belastingrecht EBR.6.5.1) in principe rechtstreekse werking: belastingplichtigen kunnen steeds een beroep doen op de werking van deze beginselen en het nationale recht in zoverre opzij zetten.4 Daarnaast kunnen bedoelde beginselen worden ingeroepen bij een vermeende nietigheid of ongeldigheid van bijvoorbeeld een richtlijn- of verordeningsbepaling5 en fungeren als interpretatiebeginsel c.q. uitleggingsbeginsel van het Unierecht.6
Het voert in het kader van dit onderzoek te ver om bovenbedoelde beginselen tot in detail uit te werken.7 Ik beperk me tot een bondige uiteenzetting van het rechtszekerheidsbeginsel (paragraaf 2.3.2.1.1), het evenredigheidsbeginsel (paragraaf 2.3.2.1.2) en het doeltreffendheidsbeginsel (paragraaf 2.3.2.1.3). Deze beginselen spreken in mijn optiek voor dit onderzoek het meest tot de verbeelding en kunnen behulpzaam zijn bij de uitleg van de correctiebepalingen bij niet-betaling (zowel op Unierechtelijk als op nationaalrechtelijk niveau). Aldus vormen zij een belangrijk element in beoordeling van de verhouding tussen het Unierecht en het nationale recht en zijn zij in zoverre relevant voor de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag (zoals geformuleerd in paragraaf 1.3). In paragraaf 2.3.2.1.4 plaats ik nog een aantal algemene opmerkingen.
2.3.2.1.1 Het rechtszekerheidsbeginsel2.3.2.1.2 Het evenredigheidsbeginsel2.3.2.1.3 Het doeltreffendheidsbeginsel2.3.2.1.4 Tot slot