Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.8.7.3
5.8.7.3 Personele veranderingen
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392021:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ontstaat in Nederland ondernemingsrechtelijke medezeggenschap bij 50 werknemers en vennootschapsrechtelijke medezeggenschap bij ondernemingen met meer dan 100 werknemers, een geplaatst kapitaal van 16 miljoen en een OR. In Duitsland geldt de Drittelbeteiligungsgesetz vanaf 500 werknemers en de Mitbestimmungsgesetz vanaf 2000 werknemers.
Voor de Richtlijn grensoverschrijdende fusies geldt dit in mindere mate, nu het uitgangspunt is dat de medezeggenschapsregeling van de lidstaat van vestiging van toepassing is. Wanneer één van de uitzonderingen zich voordoet, wordt de medezeggenschap wel vastgelegd op het moment van de fusie.
Zie ook hierover: D.C. Buijs, ‘De Europese vennootschap, een Brussels virus voor het nationale medezeggenschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2001, p. 181-183.
Zie ook: S. Weiss, H.T. Wöhlert, ‘Societas Europaea – Der Siegezug des deutschen mitbestimmungsrechts in Europa?’, NZG 2006, p. 121 e.v.
Kamerstukken II, 2003-2004, 29298, nr. 3, p. 45.
Kamerstukken II, 2003-2004, 29298, nr. 3, p. 46.
Nationale medezeggenschapsregelingen kennen vaak instellingsvereisten die gekoppeld zijn aan de grootte van de onderneming of vennootschap.1 De Europese medezeggenschapsregeling inzake de SE en SCE kent een ander uitgangspunt, namelijk dat de medezeggenschap wordt vastgesteld op het moment van oprichting van de SE.2 Met nadien intredende veranderingen wordt geen rekening gehouden.3 Zo kan het zijn dat een Duitse vennootschap met 300 werknemers en een Nederlandse vennootschap met 50 werknemers gezamenlijk een SE oprichten die haar zetel in Duitsland zal hebben. Nu beide vennootschappen geen vennootschapsrechtelijke medezeggenschap kennen, ligt voor de hand dat deze vorm van medezeggenschap ook niet in de overeenkomst zal worden opgenomen. Een dergelijke oprichting is geheel in overeenstemming met het ‘voor en na’-beginsel nu geen medezeggenschap verdwijnt. Wanneer de vennootschap echter aanzienlijk uitbreidt en daardoor bijvoorbeeld 300 extra werknemers aanneemt, overschrijdt zij de grens van de Duitse Drittelbeteiligungsgesetz. Op grond van deze wet hebben de werknemersvertegenwoordigers in een GmbH en AG het recht een derde van de leden van de Aufsichtsrat te benoemen. Deze regeling is echter niet van toepassing op de SE, omdat de rol van de werknemers bij deze vennootschap overeenkomstig de overeenkomst tussen bog en deelnemende vennootschappen door de referentievoorschriften wordt beheerst. De medezeggenschap wordt vastgesteld op het moment van oprichting en groeit niet mee met de vennootschap. Er wordt ook niet gekeken naar het aantal werknemers van de SE. Zo kunnen verschillende kleine ‘medezeggenschapsvrije’ ondernemingen fuseren tot één grote SE die direct na oprichting qua werknemersaantal al onder de getalsgrenzen van de medezeggenschapsregeling van de lidstaat van vestiging valt.4 Ook in dit geval is er geen medezeggenschap.
Andersom kan het ook zijn dat een SE is opgericht met een vorm van vennootschapsrechtelijke med ezeggenschap terwijl zij daar een aantal jaren later niet meer aan voldoet. De SE-Richtlijn bevat geen concrete voorschriften voor de medezeggenschap na oprichting. Wel bepaalt de preambule dat het ‘voor en na-beginsel’, niet alleen geldt bij oprichting van de SE, maar ook bij structurele veranderingen. De minister vond deze algemene opmerking onvoldoende concreet om te implementeren in nationaal recht.5 In andere lidstaten is dit wel geschied. Zo bevat de SEBG – De Duitse implementatiewet – in § 18 lid 3 de bepaling dat heronderhandeld moet worden wanneer zich structurele veranderingen die leiden tot een vermindering van de medezeggenschap voordoen. In de WRW wordt de vraag wanneer moet worden heronderhandeld overgelaten aan de autonomie van partijen.6Art. 1:18 lid 1 sub i en j WRW bepaalt dat de overeenkomst moet bepalen in welk geval heronderhandeld zal worden en welke procedure dan zal worden gevolgd (zie art. 2:19 WRW voor de SCE). Art. 1:19 WRW heeft betrekking op de situatie dat hierover niets is geregeld in de overeenkomst. In dat geval moet worden onderhandeld indien meer dan 100 werknemers hierom verzoeken die tezamen meer dan 20% van het totaal aantal werknemers van de SE en haar dochterondernemingen uitmaken. Het initiatief ligt in dat geval bij de werknemers. De heronderhandelingsprocedure van de WRW is overigens beperkt tot de situatie dat een overeenkomst is bereikt. Wanneer de referentievoorschriften van toepassing zijn, hoeft niet te worden heronderhandeld in geval van structurele veranderingen. Op de situatie dat een SE medezeggenschapsvrij wordt opgericht vanwege het ontbreken van werknemers en later geactiveerd wordt, ga ik in paragraaf 5.8.7.5 in.