Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/2.4.4
2.4.4 Opvattingen over beschermingsmaatregelen vanaf de jaren zeventig
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349448:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De VdvE ging uiteindelijk in 1997 op in Amsterdam Exchanges N.V. De VvdE hield in het bijzonder de belangen van kapitaalverschaffers voor ogen. Zie hierover Frentrop (diss.) 2002, p. 191 en 263.
Het vertrouwen in de handhaving van bestaande rechten van aandeelhouders zou niet in de waagschaal moeten worden gesteld door maatregelen over welker totstandkoming de aandeelhouders geen zeggenschap hebben gehad. Daarmee zou de (internationale) financiering van het Nederlandse bedrijfsleven worden geschaad, aldus de VvdE. Te herleiden uit Hellema, V.M.F. verweer tegen dreigende overval, De NV 47 (1969), p. 24.
Aldus Hellema, V.M.F. verweer tegen dreigende overval, De NV 47 (1969), p. 24. Zie over de VMF- affaire en de bemoeienis van de VvdE Frentrop (diss.) 2002, p. 303-306.
In deze zin onder meer Maeijer, Beursoverval op beschermingsconstructies, NJB 1988/16, p. 518- 519 en Van Schilfgaarde, Aandelen 1988, p. 32.
Deze beschouwing was getiteld “De aandeelhouder, Beschermingsconstructies en de Effectenbeurs”.
Rapport van de Commissie Van der Grinten, p. 16.
Rapport van de Vereniging voor de Effectenhandel inzake de toepassing van beschermingsconstructies, dat als Bijlage I bij deze studie is gevoegd.
Rapport van de Vereniging voor de Effectenhandel inzake de toepassing van Beschermingsconstructies, 4 maart 1988, p. 8 en 9.
Thans vertegenwoordigen de gezamenlijke leden van de VEUO zo’n 95% van de beurswaarde van de Nederlandse fondsen op Euronext Amsterdam (exclusief beleggingsfondsen). Zie de website van de VEUO: www.veuo.nl.
De minister van Financiën heeft op 20 april 1989 ingestemd met het voorstel van de VvdE en de VEUO tot aanpassing van het Fondsenreglement ter zake van de hantering van beschermingsconstructies, met de kanttekening dat na 1 januari 1992 één regime zou moeten gelden voor reeds genoteerde en nog niet-genoteerde vennootschappen, hetgeen valt te herleiden uit een actualiteit in NJB, 6 mei 1989, p. 625. Bijlage X kende namelijk een overgangsregeling voor vennootschappen die voor de invoering van Bijlage X reeds het instrument van beschermingsprefs kenden. Ik laat deze overgangsregeling hier verder buiten beschouwing.
Zie hierover onder meer Van Solinge (sr.), Aanpassing van het fondsenreglement met betrekking tot beschermingsconstructies, De NV 67 (1989), p. 60-64.
Zie Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 IXB, nr. 22, p. 2. Het uitgangspunt dat beschermingsmaatregelen tijdelijk van aard zouden moeten zijn, werd ook gesteund door onder meer Honée, Beschermingsconstructies: Brusselse ondoordachtheid, Hollandse halsstarrigheid (II), De NV 69 (1991), p. 156 en Ruding, Grensoverschrijdende samenwerking van ondernemingen 1992, p. 49.
Daarbij speelde ook het belang dat de overheid hecht aan een goed functionerende kapitaal- en overnamemarkt een rol.
Zo herinner ik mij dat ik diverse correspondentie en telefoongesprekken heb gehad met medewerkers van die afdeling. Tegenwoordig zijn beursvennootschappen o.g.v. art. 5:25n Wft gehouden om voorstellen tot wijziging van de statuten, ongeacht of het gaat om een wijziging van de bescherming, mee te delen aan de AFM en aan Euronext Amsterdam.
Euronext mededeling 2007-051 van 14 december 2007.
Kamerstukken II 1990/1991, 21 038, nr. 22, p. 3 e.v.
Wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid tot het treffen van bijzondere maatregelen door de OK over de zeggenschap in de naamloze vennootschap; Kamerstukken II 1997/1998, 25 732, nr. 2.
Ondanks de suggestie van onder meer de commissie vennootschapsrecht, de OK en de literatuur, besloten de ministers om het toepassingsbereik van de voorgestelde regeling niet te beperken tot beursvennootschappen. Alle naamloze vennootschappen waarvan de statuten aandelen aan toonder kennen, geen blokkeringsregeling bevatten en toelaten dat met medewerking van de vennootschap certificaten aan toonder worden uitgegeven (de zgn. open naamloze vennootschap), zouden onder de regeling vallen. Zie hierover Dortmond, Het wetsontwerp beschermingsconstructies, De NV 75 (1997), p. 310, Eisma, Wetsontwerp beschermingsconstructies ingediend, WPNR 6300 (1998), p. 84.
Het op 25 juni 1997 verschenen rapport van de Commissie Corporate Governance, getiteld “Corporate Governance in Nederland, De Veertig Aanbevelingen”.
De evaluatie geschiedde door middel van het eind 2002 verschenen rapport “Corporate Governance in Nederland; de stand van zaken”.
Punt 58/59 van Verantwoording van het werk van de commissie, De Nederlandse corporate governance code, 9 december 2003.
In deze aanbeveling valt de rechtseconomische agency-theorie te lezen, waarover in paragraaf 2.6.2.
Kamerstukken II 2003/2004, 29 752, nr. 2. Zie over de nota uitgebreid Raaijmakers (sr.), Naar een brede herziening van het Nederlands ondernemingsrecht, WPNR 6601 (2004), p. 949 e.v., Doorman, Nota modernisering van het ondernemingsrecht, Ondernemingsrecht 2004/207 en Hooghoudt en Van der Velden, Nota modernisering ondernemings- en vennootschapsrecht en de toekomst van beschermingsconstructies, TvE 2004-12, p. 294-302.
HR 9 juli 2010, r.o. 4.4.2, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI).
Richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod, PbEU L 142. Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 2, Stb. 2007/202.
Deze wet heeft wel gevolgen voor de biedplicht voor een stichting continuïteit. Ik kom daar nader op terug in hoofdstuk 11.
Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 3, p. 13-19.
Deze regeling staat ook wel bekend als de passiviteitsregel. De ondernemingsleiding van een onbeschermde vennootschap zou zich “passief” moeten opstellen. Op dit facultatieve statutaire verbod om beschermingsmaatregelen te treffen, kom ik uitgebreid terug in het kader van de onbeschermde vennootschap; zie paragraaf 6.4.
Kiest een vennootschap voor een onbeschermde status en wenst zij in een bepaalde situatie toch aandelen uit te geven, dan zal zij gezien die onbeschermde status ofwel gewone aandelen moeten uitgeven, ofwel beschermingsprefs indien de statuten voorzien in de uitgifte van beschermingsprefs. Ik kom hierop in hoofdstuk 6 terug.
Art. 2:359c BW van het oorspronkelijke wetsvoorstel. De term “maxidoorbraakregeling” is geïntroduceerd door Den Boogert, Openbaar bod en bescherming 2005, p. 31.
Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 3, p. 44. De termijn zou voldoende gelegenheid bieden om de vennootschapsleiding in overleg te laten treden met de aandeelhouders en zich te bezinnen op de te volgen strategie of de te nemen maatregelen of een alternatief bod te zoeken, wat een prikkel zou kunnen zijn voor de bieder om tot overeenstemming met de vennootschap te komen.
Zie onder meer Den Boogert, Openbaar bod en bescherming 2005.
Gek genoeg vallen voordrachtsrechten van de raad van commissarissen of gecombineerde vergadering van bestuur en raad van commissarissen niet onder deze regeling, omdat het moet gaan om bijzondere statutaire rechten van aandeelhouders.
Bij de maxidoorbraakregel werd wel een aantal correcties toegepast op de berekening van het 75% percentage. Zo werden bijvoorbeeld beschermingsprefs buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de 75% grens.
De goedkeuring van de algemene vergadering mag niet eerder zijn verleend dan 18 maanden voordat het openbaar bod is aangekondigd.
In hoofdstuk 11 ga ik uitgebreid in op de gevolgen van de biedplicht voor de stichting continuïteit. Zie over het verplicht bod Nieuwe Weme (diss.) 2004.
Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 3, p. 17 en 20.
a. De Vereniging voor de Effectenhandel (VvdE) en haar rapport
In de periode rond 1970, toen het gebruik van de mogelijkheid om gewone aandelen als bescherming uit te geven een grote vlucht nam, ging de Vereniging voor de Effectenhandel (steeds afgekort als VvdE) zich mengen in de discussie omtrent bescherming. De VvdE was een particuliere organisatie die in 1876 was voortgekomen uit het Algemeen Beurscomité en de Effecten-Sociëteit en die als taak had het bevorderen van het efficiënt functioneren van de nationale kapitaalmarkt, waarop het bedrijfsleven in voldoende mate kapitaal kan aantrekken en die aandeelhouders interesseert in deelneming in ondernemingen.1
In 1969 uitte de VvdE voor het eerst haar verontwaardiging en verontrusting rondom de in paragraaf 2.4.3 onder a aan de orde gestelde door Verenigde Machinefabrieken N.V. (VMF) verleend recht tot het nemen van gewone aandelen aan een bevriende groep. Naar de mening van de VvdE waren de belangen van de aandeelhouders van VMF op de achtergrond geraakt, omdat de beslissing over de feitelijke creatie van de stemmenmeerderheid bij die bevriende partij en niet bij de aandeelhouders zou liggen.2 In feite overschreed de VvdE hier met deze uitlatingen haar doel; zij hoorde zich niet te roeren in gevallen waarin beleidsvragen een belangrijke rol spelen en die daardoor de belangen van de effectenhandel in het algemeen niet of maar in geringe mate raken.3 De kwestie van beschermingsmaatregelen zou een onderwerp zijn waaraan zovele aspecten van vennootschapsrecht en ondernemingsrecht zijn verbonden dat niet alleen de VvdE, maar ook de wetgever zich daarover zou moeten buigen.4
Het in 1971 in werking getreden en door de VvdE opgestelde Fondsenreglement dat de beurshandel in Amsterdam regelde, bepaalde dat vennootschappen die een beursnotering wilden aanvragen in het kader van die aanvraag hun statuten moesten voorleggen aan de VvdE. Op grond van de Beurswet 1914 en de Beschikking Beursnotering 19835 legde de VvdE de aanvraag van de beursnotering vergezeld van een advies vervolgens voor aan de minister van Financiën. Vennootschappen die reeds een notering hadden, moesten omtrent de inhoud van een voorstel tot wijziging van de statuten overleg plegen met de VvdE. Statutaire regelingen die beoogden te voorkomen dat een overneming plaatsvond tegen de wil van het bestuur van de over te nemen vennootschap werden tegen de achtergrond van de hierboven genoemde taak- en doelstellingen van de VvdE getoetst.
In het in mei 1986 gepubliceerde jaarverslag 1985, wijdde de VvdE enige beschouwingen aan beschermingsmaatregelen van beursvennootschappen.6 In dat jaarverslag werd de handelswijze van besturen van beursvennootschappen die erop gericht zou zijn om afweermiddelen in stelling te brengen tegen overvallen die niet de steun van dat bestuur genoten, gelaakt. De algemene vergadering zou daarmee bevoegdheden verliezen die overgeheveld werden naar het bestuur en de individuele aandeelhouder zou de kans verliezen op het behalen van vermogensvoordeel die hij zou hebben behaald indien een openbaar bod op de aandelen tegen de wil van het bestuur wel kans van slagen zou hebben. Een openbaar bod zou een onderwaardering van aandelen kunnen corrigeren en de aandeelhouders een reële vergoeding voor hun aandelenbezit kunnen bieden. De VvdE vroeg zich af of de toen in Nederland geldende praktijk nog wel evenwichtig zou zijn. Met het oog op de hiervoor genoemde beoordeling van statuten, had de VvdE behoefte aan richtlijnen voor het door haar te voeren beleid.
De commissie Van der Grinten
De door de VvdE geëntameerde discussie omtrent de toelaatbaarheid van beschermingsmaatregelen leidde in 1986 tot de instelling door de VvdE van de commissie Van der Grinten, die met het op 26 november 1987 uitgebrachte rapport de VvdE adviseerde een terughoudend beleid te voeren ten aanzien van de in de praktijk van die tijd voorkomende beschermingsconstructies. De verantwoordelijkheid voor het instellen of aanvaarden van beschermingsconstructies zou primair bij het bestuur en de algemene vergadering liggen.7 Beschermingsmaatregelen zouden overleg tussen de overnemer en het bestuur van de vennootschap bevorderen, waardoor ruimte gecreëerd zou worden voor het bestuur. Het zou moeten gaan om een samenspel tussen de verschillende organen, waarbij de aandeelhouders niet alle zeggenschapsrechten zouden moeten worden ontnomen. Een dergelijke gang van zaken biedt kansen op betere koersvorming en is bevorderlijk voor de ontwikkeling van de kapitaalmarkt, aldus de commissie.
Rapport van de Vereniging voor de Effectenhandel
De aanbevelingen van de Commissie Van der Grinten leidde ertoe dat de VvdE op 4 maart 1988 haar eigen rapport uitbracht.8 Dit rapport beoogde stringentere regels te stellen ter zake van het gebruik van beschermingsmaatregelen en ging daarmee verder dan het rapport van de Commissie Van der Grinten. Net zoals die commissie, was ook de VvdE van mening dat een beschermingsmaatregel in het geval van pogingen tot – in het bijzonder – een onvriendelijke overname, kan dienen als instrument om ruimte te creëren voor het bestuur om tot een zorgvuldige afweging van de belangen van de vennootschap en alle daarbij betrokkenen, waaronder de aandeelhouders, te komen. De vereniging voegde daar aan toe:9
“…dat de ondernemingsleiding een haar onwelgevallige overneming door het nemen van beschermingsmaatregelen niet verdergaand zou mogen blokkeren dan met het oog op deze functie noodzakelijk is. Een verdergaande bescherming belemmert de concurrerende werking van de markt en bemoeilijkt de vergelijking van de marktwaarde en het marktrendement ten opzichte van concurrerende ondernemingen in de bedrijfstak, hetgeen veelal leidt tot een beperkte aandacht hiervoor bij bestuur en commissarissen. Deze factoren schaden de resultaten, het koersniveau van de aandelen en daarmee de financieringscondities van de betrokken ondernemingen. Bovendien kunnen op deze wijze economische waardevolle combinaties geblokkeerd worden.
Voorts dienen naar het oordeel van de Vereniging de aandeelhouders in de gelegenheid te worden gesteld om als kapitaalverschaffers van de vennootschap ter zake van fusies en overnames waarbij zij zijn betrokken hun eigen belangenafweging te maken. Dit brengt met zich mede dat het nemen van beschermingsmaatregelen of voorzieningen hiertoe in beginsel vooraf ter goedkeuring aan de zittende aandeelhouders voorgelegd moeten worden.
Ten slotte vloeit uit het voorgaande voort, dat over de inhoud en de hantering van beschermingsconstructies als relevante marktinformatie tegenover (potentiële) aandeelhouders openheid moet worden betracht. Deze openheid dient evenwel ook te gelden voor degene die een overneming beoogt.”
Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen (VEUO)
Mede naar aanleiding van het rappo rt van de VvdE, werd op 2 mei 1988 de Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen (hierna: VEUO) opgericht. Deze door een aantal beursgenoteerde vennootschappen opgerichte belangenvereniging stelt zich ten doel om de belangen van de aan de Amsterdamse effectenbeurs genoteerde ondernemingen te behartigen.10
De VEUO is lange tijd een belangrijke gesprekspartner geweest van de VvdE. In die hoedanigheid adviseerde de VEUO de VvdE om het gebruik van beschermingsmaatregelen niet te beperken. Uiteindelijk leidde dit overleg in 1989 tot een aanpassing van het Fondsenreglement, welke aanpassingen werden vastgelegd in Bijlage X bij het Fondsenreglement.11
b. Bijlage X bij het Fondsenreglement
Bijlage X trad op 1 november 1989 in werking en bevatte diverse gedetailleerde voorschriften voor het gebruik van beschermingsmaatregelen als beschermingsprefs, certificering, prioriteitsaandelen, pandora-constructies en bevatte een regeling omtrent de cumulatie van verschillende beschermingsconstructies.12 Goeddeels waren deze voorschriften in lijn met het rapport van de VvdE uit 1988. Ik ga in paragraaf 2.4.6 onder d uitvoerig in op de voorschriften die golden voor het gebruik van beschermingsprefs.
In april 1992 bereikten de VvdE en de VEUO overeenstemming over een herziende Bijlage X, welke op 1 oktober 1992 in werking trad. Uit een brief van de toenmalige minister van Financiën van 27 mei 1992 viel op te maken dat er sprake was van een tijdelijk compromis, omdat er nog in onvoldoende mate tegemoetgekomen was aan het in de kabinetsnotitie geformuleerde uitgangspunt dat beschermingsconstructies tijdelijk van aard moeten zijn.13 In de brief stelde de genoemde minister mede namens de staatssecretaris van Justitie dat hij het onderwerp beschermingsmaatregelen, dat niet alleen de belangen van beleggers maar ook de structuur van de vennootschap en de bevoegdheden van haar organen kan raken, van zodanig belang achtte dat een wettelijke regeling vanaf 1 april 1995 niet uitgesloten moest worden geacht.14
Bijlage X is enkele tientallen jaren van toepassing geweest en vormde een belangrijk richtsnoer voor beursvennootschappen die beschermingsmaatregelen hanteerden of wensten in te voeren. Wijzigingen van statuten van vennootschappen en/of stichtingen die leidden tot wijziging van (onderdelen) van statutaire beschermingsmaatregelen, werden nauwgezet door medewerkers van de afdeling Listing
Department & Primary Market van Euronext Amsterdam N.V. bestudeerd en zo nodig werden aanwijzingen gegeven.15 De inwerkingtreding van de Wet implementatie Overnamerichtlijn leidde ertoe dat Bijlage X op 1 januari 2008 is komen te vervallen.16
c. Opvattingen omtrent beschermingsmaatregelen vanaf begin jaren negentig
In een notitie hebben de ministers van Financiën, Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Justitie op 1 februari 1991 enige algemene uitgangspunten geformuleerd die van belang zouden kunnen zijn bij het bepalen van een standpunt over de toelaatbaarheid van beschermingsmaatregelen.17 Zij achtten zulks noodzakelijk gelet op de ontwikkelingen in Europees verband. Europa stond namelijk aan de vooravond van de totstandbrenging van een interne markt, waarin belemmeringen tegen overnames in het algemeen moesten worden opgeheven. In dat verband had de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een gewijzigde 13e EG-richtlijn (de Overnamerichtlijn).
In de notitie werd het standpunt ingenomen dat er geen principiële bezwaren bestaan tegen beschermingsmaatregelen.18 Beschermingsmaatregelen zouden nuttig kunnen zijn om de ondernemingsleiding in staat te stellen haar taak, te weten te handelen in het belang van de vennootschap, te vervullen. De eerste verantwoordelijkheid om de belangen van alle bij de vennootschap betrokken partijen tegen elkaar af te wegen berust in de vennootschapsrechtelijke structuur bij de ondernemingsleiding. Daarbij dient die leiding zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, welk belang primair betrekking heeft op de waarborging van de continuïteit van de onderneming. Beschermingsmaatregelen zouden het bestuur en raad van commissarissen voorts de mogelijkheid bieden zich met kracht te verweren tegen speculatieve biedingen, waaraan slechts kortetermijnoverwegingen ten grondslag liggen. Verder werd in de notitie opgemerkt dat het in zijn algemeenheid evenwel ongewenst zou zijn dat de ondernemingsleiding gewijzigde machtsverhoudingen in de algemene vergadering langdurig negeert. Ten slotte werd gememoreerd dat de vaststelling van een Nederlands standpunt over beschermingsmaatregelen ten principale zou moeten plaatsvinden tegen de achtergrond van de Europese voorstellen op het gebied van openbare biedingen en het opheffen van belemmeringen tegen overnames, daarbij doelende op de Overnamerichtlijn.
Het wetsvoorstel doorbreking beschermingsconstructies
Na breed overleg in 1997 tussen de ministers van Financiën, Economische Zaken en Justitie, de VvdE, de VEUO en VNO/NCW, werd door de drie genoemde ministers het wetsvoorstel doorbreking beschermingsconstructies ingediend.19 Uitgangspunt van dit wetsvoorstel was de hierboven weergegeven en op 1 februari 1991 geventileerde opvatting dat beschermingsmaatregelen nuttig en dus aanvaardbaar kunnen zijn, maar dat het in zijn algemeenheid ongewenst is dat de vennootschap belangrijk gewijzigde verhoudingen in de algemene vergadering langdurig negeert.20 Hieruit kan worden afgeleid dat de duur van bescherming belangrijk werd geacht.
Het wetsontwerp bevatte – kort samengevat – een regeling die erop neer komt dat iemand, die gedurende een zekere periode (minimaal een jaar) ten minste 70% van het geplaatste kapitaal in een open naamloze vennootschap verschaft of doet verschaffen, de OK kan verzoeken bijzondere maatregelen te treffen in de vorm van het ongedaan maken van de beschermingsmaatregelen waardoor hij desgewenst in de algemene vergadering in haar nieuwe samenstelling de zeggenschap kan uitoefenen die in overeenstemming is met het percentage aandelen of certificaten dat hij in de vennootschap bezit.21 Het wetsvoorstel paste in het licht van de eerder door de VvdE en in de hierboven genoemde notitie geuite opvatting dat bescherming mag, mits tijdelijk.
Uiteindelijk werd het wetsvoorstel op 12 januari 2006 – mede naar aanleiding van de hierna aan de orde gestelde Wet implementatie Overnamerichtlijn – ingetrokken.22 Daarmee werd tegemoet gekomen aan de tegen dit wetsvoorstel geuite bezwaren dat de termijn van een jaar die voorafgaat aan de mogelijkheid om beroep te doen op de rechter in combinatie met de termijn van de procedure zelf potentiële beleggers zou afschrikken, dat het kapitaalbeslag, de onzekerheid over de duur van de procedure alsmede de uitkomst van de procedure te belastend zouden zijn, alsook de tussenkomst van de rechter in vergelijkbare gevallen in andere Europese landen achterwege zou blijven.23
De Nederlandse corporate governance code (NCGC)
In 1997 concludeerde de commissie Peters in lijn met de eerder aangehaalde opvatting van verschillende kabinetten dat de ondernemingsleiding in een situatie waarin de vennootschap doelwit wordt van een onwelgevallige bejegening door een partij die controle tracht te verwerven de tijd moet worden gegund om de bij de vijandelijke overname in het geding zijnde belangen naar behoren te behartigen.24 Beschermingsmaatregelen zouden binnen zekere grenzen voor dergelijke situaties kunnen worden gerespecteerd. De commissie concludeerde tegelijkertijd dat er voor regelgeving op het gebied van beschermingsmaatregelen geen taak voor haar was weggelegd en wachtte het wetsontwerp op dat gebied af.
In 2002 heeft de Nederlandse Corporate Governance Stichting de naleving van het Rapport Peters geëvalueerd.25 Deze stichting constateerde dat er op het terrein van corporate governance in Nederland in de tijd vanaf het Rapport Peters vooruitgang werd geboekt, maar dat nog veel verbetering mogelijk en gewenst was. Deze evaluatie en diverse (boekhoud)schandalen, die mede tot gevolg hadden dat het vertrouwen in het bestuur van en het toezicht op ondernemingen die opereren op de financiële markten werd ondermijnd, waren aanleiding om het Rapport Peters te herijken. Op 9 december 2003 zag de Nederlandse corporate governance code van de commissie Tabaksblat het daglicht.
De commissie Tabaksblat oordeelde dat beschermingsconstructies nuttig kunnen zijn wanneer deze in het belang van de vennootschap worden opgeworpen. Deze opvatting sloot aldus aan bij die van het Rapport Peters. Beschermingsconstructies zouden de vennootschap in staat kunnen stellen om haar positie ten opzichte van de bieder en diens plannen te bepalen en alternatieven te zoeken. De commissie beval de wetgever aan om bij het ontwerpen van een wettelijke regeling over beschermingsconstructies in elk geval te regelen dat:26
beschermingsconstructies na een beperkte periode na het opwerpen daarvan weer worden ingetrokken. De commissie suggereerde een periode van zes maanden. Daarmee gaf de commissie invulling aan het begrip “tijdelijkheid” en week zij tegelijkertijd significant af van de tweejaarstermijn uit Bijlage X, waarover hierna in paragraaf 2.4.6 onder d. Desalniettemin paste deze aanbeveling in de tijdsgeest van het begin van de 21e eeuw waarin de roep om meer aandeelhoudersinvloed groot was; zie paragraaf 2.4.2.
beschermingsconstructies worden niet gebruikt om (financiële) voordelen voor bestuurders en/of commissarissen te bewerkstelligen.27
Opvattingen begin 21e eeuw; nota modernisering ondernemingsrecht
Op 8 september 2004 bood de toenmalige minister van Justitie de nota modernisering van het ondernemingsrecht aan de Tweede Kamer aan.28 In de nota wordt wederom aandacht besteed aan de toelaatbaarheid van beschermingsmaatregelen. De minister plaatste deze discussie in het licht van de op 20 mei 2004 inwerking getreden Overnamerichtlijn. Deze richtlijn stelt geen rechtstreekse verplichtingen ten aanzien van beperking van beschermingsmaatregelen. Uitgangspunt is dat een vennootschap bij haar inrichting zoveel mogelijk vrijheid wordt gelaten en dus zelf haar mate van bescherming bepaalt. Zoals uit paragraaf 2.4.7 onder h blijkt, komt dit uitgangspunt terug in de ASMI-beschikking in 2010.29 In lijn met het bepaalde in de op 20 mei 2004 in werking getreden Overnamerichtlijn, laat de minister het aan de vennootschap zelf over om te kiezen voor bescherming. Deze keuze zou niet tot een materiële wetswijziging moeten leiden. Daarbij wordt het eerder ingenomen standpunt herhaald dat het in zijn algemeenheid onwenselijk is dat de ondernemersleiding een belangrijk gewijzigde machtsverhouding in de aandeelhoudersvergadering langdurig negeert.30 Dit standpunt werd in het licht van de structuurregeling en certificering gesteld. Over beschermingsprefs zegt de minister dat het denkbaar is dat de ondernemingsleiding van de vennootschap in de situatie na een geslaagd bod op basis van een eerder verkregen aanwijzing beschermingsprefs uitgeeft, waardoor tijd en ruimte wordt verkregen om met de bieder te onderhandelen over de merites van het bod. Zulks kan leiden tot bijvoorbeeld een hogere overnameprijs of werkgelegenheidsgaranties. Mocht na zes maanden na het uitbrengen van het bod blijken dat de bieder 75% van het kapitaal in handen heeft (eventueel uitgegeven beschermingsprefs niet meegerekend), dan zou overwogen kunnen worden om de bieder in de eerstvolgende algemene vergadering de mogelijkheid te geven om het leidinggevende orgaan te vervangen, aldus de minister.31 Hiermee lijkt de “doorbraakregel” geïntroduceerd te worden, zonder dat daartoe noodzaak bestaat op basis van de Overnamerichtlijn. De zesmaands periode sloot overigens aan bij de hierboven genoemde opvattingen van de commissie corporate governance.
In 2004 heeft het kabinet haar eerder kenbaar gemaakte standpunt – bescherming mag, maar ingrijpend gewijzigde economische machtsverhoudingen in de algemene vergadering zouden niet voor onbepaalde tijd genegeerd moeten kunnen worden – voor de tweede keer herhaald in het kader van de NCGC.32
Wet implementatie overnamerichtlijn
Op 28 oktober 2007 trad de wet ter uitvoering van richtlijn 2004/25/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (hierna: Wet implementatie Overnamerichtlijn) in Nederland in werking.33 Omdat de Wet implementatie Overnamerichtlijn alleen betrekking heeft op overnamesituaties, hebben de regels die uit deze wet voortvloeien niet of nauwelijks betekenis voor de situatie waarin een activistische aandeelhouder een belang opbouwt in de vennootschap en bijvoorbeeld voorstellen tot strategiewijziging doet zonder daarbij een openbaar bod te doen.34
De minister van Justitie constateerde dat het Nederlandse vennootschapsrecht ruimte geeft aan vennootschappen om de verdeling van taken en bevoegdheden op eigen wijze, al dan niet vastgelegd in de statuten, in te vullen.35 In het algemeen kunnen verschuivingen van de bevoegdheden van de algemene vergadering naar het bestuur, de raad van commissarissen of de houders van aandelen met bijzonder zeggenschapsrechten gewenst zijn, omdat dergelijke verschuivingen een zorgvuldige en verantwoorde besluitvorming in de vennootschap kunnen bevorderen. Het moge duidelijk zijn dat de minister hier vooral doelde op oligarchische regelingen. Ook hier geldt weer het uitgangspunt van vrijheid van inrichting. Een overmaat van beschermingsmaatregelen kan echter de dynamiek op de kapitaalmarkt en overnamemarkt belemmeren, namelijk wanneer ondernemingen de invloed van (bestuurs-) onvriendelijke overnames langdurig kunnen weren. Het langdurig negeren van een gewijzigde machtsverhouding in de algemene vergadering zou onwenselijk zijn, aldus de minister. Dit kan als een herhaling van het tijdelijkheidscriterium worden beschouwd.
Uiteindelijk wordt voor de facultatieve regeling van art. 12 van de Overnamerichtlijn gekozen. Op grond van die regeling kunnen vennootschappen zelf kiezen of ze beschermd of onbeschermd door het leven gaan. Dit uitgangspunt is neergelegd in art. 2:359b lid 1 BW, welk artikel kort gezegd bepaalt dat de statuten kunnen bepalen dat het bestuur en de raad van commissarissen de goedkeuring van de algemene vergadering behoeven voor het opwerpen van een beschermingsmaatregel.36 Bij mijn weten zijn er thans in Nederland geen vennootschappen die vrijwillig voor deze passiviteitsregel hebben gekozen.37
Aanvankelijk kende het wetsvoorstel ook de automatische doorbraakregel, ook wel bekend als de “maxidoorbraakregeling”.38 Deze regeling bood een houder die ten gevolge van een openbaar bod ten minste 75% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt de mogelijkheid om na verloop van zes maanden nadat het openbaar bod was uitgebracht bestuurders of commissarissen van de vennootschap te benoemen en te ontslaan, waarbij bijzondere statutaire rechten van aandeelhouders in verband met die benoeming en dat ontslag niet zouden gelden. De minister achtte een zesmaands termijn voldoende voor het bestuur en de raad van commissarissen om in overleg te treden over de situatie die ten gevolge van het openbaar bod zou kunnen ontstaan.39 Door verschillende Kamerfracties werden echter kanttekeningen geplaatst bij de automatische doorbraakregel. Zo werd betwijfeld of met deze voorgestelde bepaling een level playing field zou ontstaan met andere EU-lidstaten, omdat Nederland verder leek te gaan met het aantasten van beschermingsmaatregelen dan andere Europese landen. Ook vanuit VNO-NCW, FNV, de commissie vennootschapsrecht, de gecombineerde commissie vennootschapsrecht en in de literatuur werd de nodige kritiek geleverd op dit voorstel.40 Deze kritiek heeft er uiteindelijk toe geleid dat de automatische doorbraakregel uit het oorspronkelijke wetsvoorstel is geschrapt.41
Een zelfde lot overkwam de aangepaste regeling omtrent certificering. In eerste instantie werd namelijk voorgesteld om houders van certificaten het recht te geven om onder alle omstandigheden – waaronder dus de situatie van een vijandig bod en de situatie waarin een activistische aandeelhouder de strategie wenst te wijzigen – en onbeperkt stemvolmachten te verlangen van het administratiekantoor. Ook dit voorstel is na de nodige kritiek bij derde nota van wijziging ingetrokken.42
Het gevolg hiervan is dat Boek 2 BW thans slechts de zogenaamde vrijwillige doorbraakregel kent, ook wel bekend als de “minidoorbraakregeling”.43 Ingevolge art. 2:359b lid 2 BW kunnen de statuten van een vennootschap bepalen dat een houder die ten gevolge van een openbaar bod ten minste 75% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, bevoegd is om op korte termijn na het einde van de periode voor aanvaarding van het openbaar bod een algemene vergadering (de doorbraakvergadering) bijeen te roepen waarin bijzonder statutaire rechten van aandeelhouders in verband met een besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder of commissaris niet gelden. In die vergadering geeft elk aandeel ten aanzien van dat besluit recht op één stem voor elk aandeel dat het nominale bedrag van het kleinste aandeel is begrepen in het nominale bedrag van het aandeel. De minidoorbraakregeling heeft met name gevolgen voor een bindend voordrachtsrecht dat toekomt aan de vergadering van houders van prioriteitsaandelen.44 Anders dan bij de maxidoorbraakregeling hoeft de kapitaalverschaffer geen rekening te houden met de zesmaandstermijn. Verder valt op dat vennootschappen vrijwillig de minidoorbraakregel kunnen toepassen om vervolgens deze regel te frustreren met een beschermingsemissie.45
In aanvulling op deze regeling is in art. 2:359b lid 4 BW de zogenaamde reciprociteitsregel overgenomen. Deze regel houdt in dat een vennootschap die de vrijwillige doorbraakregel en/of passiviteitsregel in haar statuten heeft opgenomen en onderwerp wordt van een openbaar bod dat wordt uitgebracht door een vennootschap die de vrijwillige doorbraakregel, de passiviteitsregel en/of een vergelijkbare bepaling juist niet toepast, met goedkeuring van haar algemene vergadering kan besluiten dat de vrijwillige doorbraakregel en/of passiviteitsregel toch weer niet op haar van toepassing is.46
De Wet implementatie Overnamerichtlijn bevat ook een regeling voor een verplicht bod die heeft geleid tot de invoering van art. 5:70 Wft. Deze biedplicht houdt in dat degene die overwegende zeggenschap verkrijgt in een beursvennootschap een openbaar bod moet uitbrengen op de resterende aandelen.47 Minderheidsaandeelhouders krijgen daardoor de kans om uit te stappen en hun aandelen tegen een billijke prijs te verkopen.
Opvallend is dat de minister van Justitie kapitaalverschaffers een bepaalde mate van zorgvuldigheid toedichtte. Gesteld werd dat van de kapitaalverschaffers verwacht mag worden dat zij de aan hen toekomende rechten op een aansprekende en verantwoordelijke manier zullen gebruiken.48 Zoals uit paragraaf 2.4.2 blijkt, is vooral in het eerste decennium van deze eeuw in de praktijk het tegendeel gebleken. De ontwikkelingen in die tijd hebben ertoe geleid dat beschermingsmaatregelen weer meer werden toegelaten. In het verlengde daarvan, werd in de NCGC 2008 benadrukt dat aandeelhouders zich jegens de vennootschap naar maatstaven van redelijk en billijkheid moeten gedragen en ligt de nadruk op het voeren van een dialoog. Deze lijn is doorgezet in de NCGC 2016. In dat licht is het achteraf verstandig geweest om voor de facultatieve regeling van art. 12 Overnamerichtlijn te kiezen en het dus aan vennootschappen over te laten of en op welke wijze zij zich beschermen.
d. Conclusie
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat, alhoewel er in de jaren zestig de nodige kritiek is geweest, beschermingsmaatregelen in Nederland zijn toegestaan. De vrijheid van inrichting staat voorop. Beschermingsmaatregelen vormen een instrument voor het bestuur en de raad van commissarissen van de vennootschap om ruimte te creëren voor overleg met de verschillende actoren. Met het opwerpen van een maatregel worden het bestuur en de raad van commissarissen in de gelegenheid gesteld om de belangen van de vennootschap, de daarbij behorende onderneming en alle andere daarbij betrokkenen op zorgvuldige wijze af te wegen. Bescherming mag blijkens de voorgaande beschouwingen niet onbeperkt in tijd zijn. Genoemd worden termijnen van zes maanden (commissie Tabaksblat en de maxidoorbraakregel) en een jaar (wetsvoorstel doorbreking beschermingsconstructies).