Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/1:1 Inleiding
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/1
1 Inleiding
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459439:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Europese Raad van Tampere 15 en 16 oktober 1999, Conclusies van het voorzitterschap.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Interstatelijke samenwerking, ook – of juist! – in de strafrechtelijke sfeer, berust op vertrouwen. Zonder een zeker minimum aan wederzijds vertrouwen is samenwerking tussen staten niet mogelijk. Als beginsel van interstatelijke samenwerking geldt daarom het zogeheten vertrouwensbeginsel. In de literatuur wordt dit beginsel algemeen aanvaard als beginsel dat de interstatelijke samenwerking in strafzaken beheerst. Zowel door de wetgever als in de rechtspraak wordt het vertrouwensbeginsel als zodanig benoemd en erkend, door de wetgever bij de sluiting en goedkeuring van verdragen en de totstandkoming van nationale wetgeving, in de rechtspraak bij de beoordeling van concrete gevallen van interstatelijke samenwerking.
Ook bij de samenwerking binnen de Europese Unie (EU) speelt vertrouwen een belangrijke rol. Het wederzijds vertrouwen is niet alleen de grondslag van het beginsel van wederzijdse erkenning, maar kan zelfs worden gezien als noodzakelijke voorwaarde voor de werking van dat beginsel van wederzijdse erkenning, dat sinds de Europese Raad van Tampere het centrale concept is bij de EU-samenwerking.1
In dit boek staat het vertrouwensbeginsel bij interstatelijke samenwerking in strafzaken centraal. Aan de hand van literatuur, verdragen, wetten en jurisprudentie aangaande de interstatelijke samenwerking in strafzaken zal eerst een typologie worden gegeven van dat beginsel. Vervolgens zal aan de hand van deze typologie de rol van het vertrouwensbeginsel in het verband van de EU worden besproken. Uiteindelijk beoogt deze studie conclusies te trekken aangaande de rol en werking van het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken, in het algemeen en in EU-verband. In het vervolg van deze inleiding wordt achtereenvolgens ingegaan op de probleemstelling, de methode en de hoofdstukindeling. De aanpak in dit boek kenmerkt zich door een benadering vanuit de zojuist aangekondigde typologie van het vertrouwensbeginsel, waarbij bovendien de indeling naar type rechtshulpinstrument veelal wordt losgelaten. In dit inleidende hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan de voor- en nadelen die deze aanpak heeft.
1.1 Probleemstelling1.2 Conceptuele methode en indeling1.3 Onderzoeksmethode