Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.2.2.1
4.2.2.2.1 Gebouw: een vast met de grond verbonden constructie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291507:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 24.
HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren, r.o. 34 (Maierhofer).
Anders: toelichting van de Europese Commissie van 26 oktober 2015 op de EU-btw-regels betreffende de plaats van een dienst voor diensten met betrekking tot onroerend goed die in 2017 in werking treden, p. 20 waarin het begrip ‘gebouw’ wordt omschreven als een (door de mens opgetrokken) structuur met een dak en muren, zoals een huis of fabriek, en het begrip ‘constructie’ wordt gedefinieerd als andere (door de mens) opgetrokken structuren die doorgaans niet worden aangemerkt als een gebouw. Bij constructies gaat het volgens de Europese Commissie zowel om civieltechnische werken, zoals wegen, bruggen, luchthavens, havens, dijken, gaspijpleidingen en water- en rioolstelsels, als industriële installaties, zoals energiecentrales, windturbines en raffinaderijen. Voor dit onderscheidt biedt art. 12 lid 2, eerste volzin Btw-richtlijn naar mijn mening geen steun. Al deze door de mens opgetrokken structuren zijn constructies die (voor de btw) kwalificeren als een gebouw als ze vast met de grond verbonden zijn.
Het begrip ‘gebouw’ is één van de weinige begrippen in de Btw-richtlijn die voorzien is van een definitie. Het lijdt daarom geen twijfel dat dit begrip een uniebegrip is. In art. 4 lid 3, onderdeel b Voorstel voor een zesde richtlijn werd het begrip ‘gebouw’ als volgt gedefinieerd: “ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden”. Deze definitie is ongewijzigd in art. 4 lid 3, onderdeel a Zesde Richtlijn overgenomen en thans te vinden in art. 12 lid 2, eerste volzin Btw-richtlijn. Het begrip ‘bouwwerk’, dat zoals in paragraaf 4.2.2.2.2 zal worden betoogd moet worden uitgelegd als constructie, is derhalve ruimer dan het begrip ‘gebouw’: ieder gebouw is een constructie, maar niet iedere constructie is een gebouw.1 Hoewel art. 12 lid 2, eerste volzin Btw-richtlijn betrekking heeft op de levering van gebouwen is er geen reden om in het kader van de verhuur van onroerend goed een afwijkende definitie van het begrip ‘gebouw’ te hanteren.2 Uit de definitie van het begrip ‘gebouw’ in art. 12 lid 2, eerste volzin Btw-richtlijn volgt derhalve dat een gebouw en een vast met de grond verbonden constructie geen verschillende onroerende goederen zijn, zoals het nevenschikkende voegwoord ‘of’ in art. 13ter, onderdeel b Btw-uitvoeringsverordening suggereert, maar dat een gebouw een vast met de grond verbonden constructie is.3 Dat het gebouw onder of boven het zeeniveau kan zijn gelegen is een verduidelijking waarvoor steun te vinden is in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie paragraaf 4.2.2.1.2); onontbeerlijk voor de definitie van het Uniebegrip gebouw is zij naar mijn mening niet. Als iedere vast met de grond verbonden constructie een gebouw is, dan ligt hierin reeds besloten dat dit zowel geldt voor de vast met de grond verbonden constructie boven als onder het zeeniveau.