Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.7.2
2.7.2 Schuldeisers van de splitsende rechtspersoon
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491604:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider bijvoorbeeld Van Achterberg, De NV 1997/7-8, Elbers, MBB 1999/99, onderdeel 3, Koster 2009, onderdeel 12.3, p. 363-382, Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.1.5.1, p. 97-100 en Van der Horst, V&O 2011/2.
Art. 2:334w BW geldt niet indien alle verkrijgers bij de splitsing worden opgericht en de splitser daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt (art. 2:334hh, lid 1, BW).
Art. 2:334bb BW geldt niet ingeval alle verkrijgers bij de splitsing worden opgericht en de aandeelhouders van de splitser daarvan, evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap, aandeelhouder worden (art. 2:334hh, lid 2, BW).
Naar aanleiding hiervan is in de literatuur de vraag opgeworpen of vermogen met een negatieve waarde kan worden afgesplitst naar een verkrijgende BV. Zie Roelofs & Van Eck in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 5.4, p. 79-80.
De schulden van de splitsende rechtspersoon gaan bij een zuivere splitsing onder algemene titel over naar de verkrijgende rechtspersonen. In het geval van een afsplitsing blijft de afsplitsende rechtspersoon voortbestaan: zijn schulden kunnen overgaan naar de verkrijger(s), maar dat hoeft niet het geval te zijn. De civiele splitsingsregels bevatten diverse maatregelen ter bescherming van schuldeisers. Ik volsta met een opsomming van enkele hoofdlijnen:1
Art. 2:334d BW bepaalt dat het vermogen dat overgaat naar iedere verkrijger ten tijde van de splitsing ten minste nul moet zijn. Ook dient de waarde van het deel van het vermogen dat bij een afsplitsende rechtspersoon achterblijft, vermeerderd met de waarde van de aandelen in het kapitaal van de verkrijgers die de afsplitser verkrijgt (moeder-dochterafsplitsing), ten minste nul te zijn. Deze voorschriften gelden niet voor splitsende of verkrijgende NV’s en BV’s. Voor een afsplitsende NV en BV bevat art. 2:334w BW echter een kapitaalbeschermingsregel:2 de waarde van het vermogen dat een afsplitsende NV of BV behoudt, vermeerderd met de waarde van de aandelen die de verkrijgers in het geval van een moeder-dochterafsplitsing aan de afsplitser toekennen, moet ten tijde van de splitsing minimaal overeenkomen met het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de onmiddellijk na de splitsing aan te houden reserves. Voor een verkrijgende NV geldt art. 2:334BB BW op grond waarvan bepaalde kapitaalbeschermingsregels van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.3 Vanaf de invoering van de flex-BV geldt art. 2:334BB BW niet meer voor een verkrijgende BV.4
Rechtsverhoudingen, waaronder schulden, gaan als hoofdregel in hun geheel over naar één verkrijgende rechtspersoon (art. 2:334j, lid 1, BW). Gaat een schuld over naar een verkrijger, dan blijft de vordering in stand, maar wijzigt automatisch de rechtspersoon van de schuldenaar.
Ten minste één van de partijen bij de splitsing moet voor iedere schuldeiser van deze partijen die dat verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt niet als de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of zijn verhaalsmogelijkheden behoudt (art. 2:334k BW).
Tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging op openbaarmaking van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd, kan iedere wederpartij bij een rechtsverhouding van een partij bij de splitsing, zoals een schuldeiser, in verzet komen door middel van een verzoek aan de rechtbank (art. 2:334l, lid 1, BW).
Een partij bij een overeenkomst kan tot zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing wijziging of ontbinding van de overeenkomst vorderen (art. 2:334r BW).
Er gelden specifieke regelingen over aansprakelijkheid (art. 2:334s en art. 2:334t).