Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/10.3.1.3
10.3.1.3 Aangenomen wetsvoorstel (17 november 2020)
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977268:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Inspectie van het Onderwijs, Themaonderzoek burgerschapsonderwijs en het omgaan met verschil in morele opvattingen, Utrecht 2016, p. 2 (Enige scholen voldoen niet aan actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie).
M. Laemers, ’Informatief. Burgerschapsonderwijs’, NTOR 2020, 4, p. 70-71.
Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 11 en 29.
Vgl. T. Loenen, Gelijkheid als juridisch beginsel, Den Haag: Boom JU 2009.
Vgl. Kamerbrief van minister Slob: Instellen van wetenschappelijke Curriculumcommissie onder meer voor het leergebied burgerschap (Cie-Kuiper) ref. 25369498. Dit gebied geniet op verzoek van Slob prioriteit bij de commissie. Richtinggevende aanbevelingen voor bijstelling van de kerndoelen en eindtermen worden ingewacht, mede met het oog op het ontwikkelen van het leergebied burgerschap. De moties-Rog/Van Meenen (Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 527 en -Van Meenen/Rog (Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 534) dienen bij de advisering betrokken te worden.
Het aangenomen wetsvoorstel (artikel 8 lid 3 en lid 3a Wpo) luidt na wijziging door het amendement-Van den Hul, Kwint en Westerveld (vet gedrukt)1:
Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:
a. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school;
b. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en
c. het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, creeert een omgeving, waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden, draagt zorg voor een omgeving, waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen.2
Sterk normatief gekleurde doelstelling (gelijkheidsbeginsel)
De Wet verduidelijking van de burgerschapsopdracht vervangt de bepalingen in de artikelen 8 Wpo, 11 Wec en 17 Wvo oud door aanzienlijk aangescherpte bepalingen die de gemeenschappelijke kern van de burgerschapsvorming moeten uitmaken. Daarnaast wordt de taak van het bevoegd gezag voor een veilige schoolcultuur toegevoegd, waarin de kernwaarden van de democratische rechtsstaat het uitgangspunt vormen voor het handelen binnen de schoolgemeenschap.3 Het amendement-Van den Hul c.s heeft daarbij het primaat van het gelijkheidsbeginsel aangescherpt.
Geen verplichte acceptatie van gelijkheid, wel respect voor gelijkheid
Het juridisch spannende punt in de nieuwe burgerschapsopdracht is het respect voor de gelijkheid van mensen (amendement-Van den Hul c.a.).4 Het gelijkheidsbeginsel heeft in de deugdenhiërarchie het primaat verkregen boven de vrijheid en de solidariteit.5 De wet heeft een sterk normatieve insteek, ziet niet alleen op de kennis en de vaardigheden, maar ook op de houdingen en het gedrag van de leerlingen (en het personeel). Daarnaast blijkt uit het amendement-Van den Hul c.s. dat een bepaald mensbeeld dominant is (veel lhbti+-aspecten en respect).
Sterk normatieve doelstelling/gelijkheidsbeginsel wettelijk benadrukt
Het aldus aangepaste voorstel benadrukt het gelijkheidsbeginsel6 en de eis dat op basis van respect en gelijkwaardigheid gehandeld wordt. Het komt erop neer dat niet alleen het zich eigen maken van de kennis (weten) en de vaardigheden als doelen (kunnen) gelden, maar ook het ontwikkelen van houdingen, zoals respect, het leveren van een bijdrage en het kunnen omgaan met waarden (willen en moeten). De idee dat het respect voor de diversiteit en gelijkheid de primaire waarde vormt en dat deze verplichting daartoe ervoor zorgt dat die waarden doorwerken in het leerlingengedrag zijn hiermee aanmerkelijk aangescherpt. Anders gezegd: er is een sterk normatief ingekleurde doelstelling vastgelegd.7
Zorgplicht voor veilige schoolcultuur
In het voorstel dient het bevoegd gezag te zorgen voor een veilige schoolcultuur (artikel 8 lid 3a Wpo), dus ‘te zorgen voor een cultuur waarin alle bij het aanbieden van onderwijs betrokken personen in hun uitingen handelen overeenkomstig de waarden, bedoeld in lid 3 onder a, en creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden’.
Bij de formulering van deze zorgplicht van het bevoegd gezag is de nadruk gelegd op een primaire schooltaak, namelijk het geven van onderwijs. De kritiek op de oude formulering kwam grotendeels neer op de onduidelijk-heid over (a) de invulling van de burgerschapsopdracht, (b) het door de regering gesignaleerde rechtsstatelijke tekort en (c) de vraag naar de schooleigen invulling. De nieuwe formulering - die in par.10.4.1 wordt besproken - kenmerkt zich als een open norm. De vraag is in hoeverre de inspectie voor de gewijzigde opdracht meer mogelijkheden krijgt om het toezicht uit te oefenen. De praktijk zal het uitwijzen.