Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/653
Ontzetting uit het recht tot ‘uitoefening van het beroep van bestuurder — middellijk of onmiddellijk — van een stichting’ kan worden aangemerkt als uitoefening van een voldoende bepaald beroep in de zin van art. 28 lid 1 sub 5° Sr.
HR 18-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:765
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 juni 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T. Kooijmans
- Zaaknummer
22/01392
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:765, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑06‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:393, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑11‑2022
- Wetingang
Essentie
In het oordeel van het hof dat de verdachte moet worden ontzet uit het recht het beroep van bestuurder — middellijk of onmiddellijk — van een stichting uit te oefenen, ligt de ontzetting uit het recht het beroep uit te oefenen van bestuurder van een stichting dan wel van een rechtspersoon die bestuurder is van een stichting besloten. Dat kan worden aangemerkt als de uitoefening van een voldoende bepaald beroep, als bedoeld in de zin van art. 28 lid 1 sub 5° Sr.
Samenvatting
De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 8 september 2020, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.