RvdW 2024/656:Afpersing en diefstal met valse sleutel door ander te dwingen tot afgifte bankpas met pincode en vervolgens geldbedragen over te schrijven en te pinnen (art. 317 lid 1 en 311 lid 1 onder 5 Sr), mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) en bedreiging met misdrijf tegen leven gericht (art. 285 lid 1 Sr), telkens gepleegd tegen benadeelde partij. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep v.zv. gericht tegen ‘alle door hof genomen beslissingen t.a.v. ontnemingsmaatregel’. 2. Vordering b.p. t.z.v. immateriële schadevergoeding. 3. Vordering b.p. t.z.v. materiële schadevergoeding. Voordeelverrekening, art. 6:100 BW. Moest hof rekening houden met aanspraak door verdachte op huurtermijnen en kosten die b.p. verschuldigd zou zijn? Ad 1. Uitspraak op ontnemingsvordering a.b.i. art. 36e Sr maakt geen deel uit van uitspraak in strafzaak. HR kan daarom in deze strafzaak cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen v.zv. dit volgens akte is gericht tegen ‘alle door hof genomen beslissingen t.a.v. ontnemingsmaatregel’. Klacht dat hof heeft nagelaten te oordelen over de door Rb opgelegde ontnemingsmaatregel, blijft onbesproken. Verdachte in zoverre n-o. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga over immateriële schade. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot € 1.000. Mede in aanmerking genomen dat vordering gemotiveerd is betwist, is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden toewijzing van dit deel van vordering is gebaseerd. Daarom kan ook oplegging schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven (vgl. NJ 2019/380, m.nt. W.H. Vellinga). Ad 3. V.zv. middel klaagt dat bewezenverklaarde feiten b.p. naast schade ook voordeel hebben opgeleverd dat o.g.v. art. 6:100 BW bij schadevaststelling in aanmerking moet worden genomen, faalt het omdat het miskent dat gesteld noch gebleken is dat tussen bewezenverklaarde feiten en door verdachte gepretendeerde aanspraak op huurtermijnen en bijkomende kosten, het door art. 6:100 BW vereiste verband bestaat. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vordering b.p. (t.z.v. immateriële schade) en oplegging schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing.