Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.7.4
V.7.4 Toegevoegde waarde
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178952:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Meijers 1948, p. 229-230, Hartkamp 1979, p. 125 en Asser/Sieburgh 6-III 2018/611.
Zie bijv. Hof Arnhem 10 oktober 2006, JOR 2007/31, m.nt. Groffen (Avonturenpark Hellendoorn), rov. 4.12.
Zie ook Van Schilfgaarde 1982, p. 549. Anders: Hartkamp 1982, p. 125, die meent dat de bekrachtigingsmogelijkheid van art. 3:58 BW ziet op elke handeling (niet: rechtshandeling) die bij vervullen van de wettelijke vereisten een geldige rechtshandeling zou opleveren. Dat strookt echter niet met Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 248 (TM): ‘[Art. 3:58 BW] heeft betrekking op rechtshandelingen, die het beoogde rechtsgevolg missen wegens het ontbreken van een door de wet voor de geldigheid gesteld vereiste [curs. KvV].’
In dezelfde zin Hijma 1988, p. 118-119.
Vgl. Van Schilfgaarde 1982, p. 549.
Non-existentie heeft geen andere rechtsgevolgen dan nietigheid en heeft daarom geen toegevoegde waarde. Dit argument brengt sommige vermogensrechtelijke schrijvers ertoe non-existentie te verwerpen.1 Mij kan het evenwel niet overtuigen. De wet verbindt aan de nietigheid van een rechtshandeling bepaalde consequenties. Zo regelt art. 3:58 BW dat bekrachtiging van een nietige rechtshandeling mogelijk is. Maar als de essentialia van een rechtshandeling missen en er dus geen rechtshandeling ís, dan geldt deze wettelijke regel niet. Voor wie de logica van non-existentie volgt, zijn de gevolgen van non-existentie dus wel degelijk anders dan die van nietigheid. Als er niets is, dan is bekrachtiging uitgesloten,2 is van partiële geldigheid geen sprake en kan conversie niet. Bovendien kan de rechter de rechtsgevolgen van non-existentie niet mitigeren. Al deze voorzieningen – opgenomen voor alle rechtshandelingen in Boek 3 BW, maar deels ook specifiek voor het huwelijk, de fusie, de splitsing en het besluit – gelden voor de non-existente rechtshandeling niet, omdat die handeling geen enkel juridisch bestaan heeft.3 Nietigheid en non-existentie geven dan toch verschillende uitkomsten.4 Toegevoegde waarde heeft non-existentie temeer waar, zoals bij het huwelijk, de fusie en de splitsing, een gebrek anders tot vernietigbaarheid zou hebben geleid of de geldigheid van de rechtshandeling niet zou aantasten.5 Al met al voegt non-existentie mijns inziens zeker iets toe.