Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.5.3
VII.3.5.3 De norm van art. 2:139/249 BW
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242886:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Beckman 1994, p. 135-136; en Huizink, GS Rechtspersonen, aant. 2:139 BW, aant. 3.
De Rechtbank Amsterdam sloot in de zaak Landis aan bij het criterium dat sinds HR 27 november 2009, NJ 2014, 201 m.nt. Du Perron; JOR 2010/43 m.nt. Frielink (World Online) voor prospectusaansprakelijkheid geldt. De rechtbank oordeelde dat de informatie de ‘maatman-belegger’ niet in staat stelde een ‘weloverwogen beleggingsbeslissing’ te nemen en dat derhalve sprake was van misleiding ex art. 2:139 BW, zie Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, JOR 2015/330 m.nt. Verboom (Landis). In Fairstar/Dockwise oordeelde de rechtbank dat het ontbreken van een vermelding van de onvoorwaardelijke verplichting van 110 miljoen dollar in het licht van de rest van de cijfers een misleidende jaarrekening en misleidende tussentijdse cijfers opleverde, zie Rb. Amsterdam 30 september 2015, JOR 2016/182 m.nt. Van Bekkum (Fairstar/Dockwise).
Kamerstukken II 1979/80, 15 304, 6, p. 38 (MvA).
Zie onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1095; Beckman, Ondernemingsrecht 2012/37; die zijn opvatting herhaalt in Beckman 2017, p. 119; Van Ginneken 2006, p. 153-154; Handboek 2013/262, p. 571; Strik 2010, p. 153; en Wezeman 1998, p. 86.
Zie ook het gewijzigd ontwerp van wet van 1925. Hierin werd voorgesteld in art. 49e WvK te bepalen dat de bestuurders aansprakelijk zijn indien de stukken of cijfers “den toestand der vennootschap op misleidende wijze te gunstig [cursivering NK] voorstellen”, zie Belinfante 1929, p. 130 en 218. Later werd de redactie van de bepaling gewijzigd, teneinde tot uitdrukking te brengen dat de gevolgen ook intreden bij een te ongunstige misleidende voorstelling, zie Belinfante 1929, p. 260.
Evenzo onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1095; en De Jong 2010, p. 27. Zie hierover Beckman, Ondernemingsrecht 2012/37; en Strik 2010, p. 152-154.
Idem onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1096; Huizink, TvJ 2018, afl. 6, p. 167; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:139 BW, aant. 4; Sinninghe Damsté, SDU Commentaar Ondernemingsrecht,art. 2:139 BW, aant. C.3; en Wezeman 1998, p. 87.
Aldus ook Handboek 2013/262, p. 571; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:139 BW, aant. 4.2; De Jong 2010, p. 27; Kroeze, Ondernemingsrecht 2006/3; en Strik 2010, p. 151.
Van Ginneken 2006, p. 155. Van Solinge en Nieuwe Weme lijken een andere opvatting te zijn toegedaan, zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470.
Idem onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/573; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Van Ginneken 2006, p. 157; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:139 BW, aant. 6.4; en Sinninghe Damsté, SDU Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:139 BW, aant. C.4. Anders: Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, JOR 2015/330 (Landis). De rechtbank oordeelde dat het causale verband tussen de misleidende verslaggeving en de koersschade van de beleggers was gegeven, omdat de kunstmatig hoge koers het gevolg van de misleidende verslaggeving was. Annotator Verboom is terecht kritisch op deze redenering van de rechtbank.
Evenzo Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1096; Kroeze, Ondernemingsrecht 2006/3; en Strik 2010, p. 160.
Aldus ook Van Ginneken 2006, p. 155; en Kroeze, Ondernemingsrecht 2006/3.
Art. 2:139 en 2:249 BW zijn niet identiek. Art. 2:139 BW rept slechts van ‘bekend gemaakte’ tussentijdse cijfers. In het equivalent voor de BV slaan de woorden ‘voor zover deze bekend zijn gemaakt’ niet alleen terug op de tussentijdse cijfers, maar ook op de jaarrekening en het bestuursverslag. De literatuur kent aan het summiere verschil in de redactie van de bepalingen evenwel geen betekenis toe.1 Zowel bij NV’s als bij BV’s gaat het derhalve om schade die derden hebben geleden als gevolg van een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap door de jaarrekening, tussentijdse cijfers of het bestuursverslag, voor zover deze bekend zijn gemaakt.
Voor aansprakelijkheid is vereist dat de jaarrekening, de tussentijdse cijfers of het bestuursverslag een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap geven. Het is zaak te bezien wanneer daarvan sprake is. Uit de zeldzame rechtspraak valt dit niet te destilleren.2 Ook de wetsgeschiedenis biedt weinig houvast. Uit de toelichting bij art. 49b (oud) WvK, de voorloper van art. 2:139 BW, volgt dat het moet gaan om een ‘culpose onwaarheid’.3 De toelichting uit 1980 gaat nog een stap verder. Daarin wordt gesproken van een ‘welbewuste scheve voorstelling’.4
In de literatuur is regelmatig getracht het aansprakelijkheidscriterium van art. 2:139/249 BW nader in te kleuren. Het beeld komt naar voren dat van een ‘misleidende voorstelling’ sprake is indien de stukken of cijfers een verdraaid beeld van de toestand van de vennootschap geven.5 Dat kan zowel een te gunstig als een te ongunstig beeld zijn.6 Bij de beoordeling komt betekenis toe aan de normen uit het jaarrekeningenrecht.7 Geven de stukken of cijfers een verdraaid beeld van de toestand van de vennootschap, dan wordt verwijtbaarheid aangenomen.8 De eisende partij hoeft derhalve niet te stellen en bewijzen dat de bestuurders verwijtbaar hebben gehandeld. De schuld is bij de misleiding ingebakken. Opzet tot misleiding is voor het vestigen van aansprakelijkheid niet vereist.9 Met Van Ginneken meen ik dan ook dat van misleiding als bedoeld in art. 2:139/249 BW ook sprake kan zijn indien de stukken of cijfers niet ‘welbewust’ een scheve voorstelling van zaken geven.10
Zijn de bestuurders zonder meer hoofdelijk aansprakelijk indien de stukken of cijfers een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap geven? Mijn antwoord luidt neen. Daarvoor is vereist dat de schade van de derde het gevolg is van de misleiding. Met andere woorden: de eisende partij moet aantonen dat er een causaal verband bestaat tussen de schade en de misleiding.11
Uit het voorgaande volgt dat het aansprakelijkheidscriterium niet is gekoppeld aan de handelwijze van de bestuurders.12 Art. 2:139/249 BW draait de bewijslast met betrekking tot de schuldvraag om. Staat vast dat de jaarrekening, de tussentijdse cijfers of het bestuursverslag een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap geven, dan wordt verwijtbaarheid verondersteld.13 De niet-uitvoerende bestuurder ‘hangt’ zodra de eisende partij aantoont dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de misleidende voorstelling en de door hem geleden schade. Deze regel leidt slechts uitzondering indien de niet-uitvoerende bestuurder kan aantonen dat hem persoonlijk geen verwijt treft.