De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer
Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.3:V.3 Karel V en het lekenpatronaatsrecht
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.3
V.3 Karel V en het lekenpatronaatsrecht
Documentgegevens:
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS386575:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
X.3.8.16 Dilecta.
J. Houssiau, Contrôleurs ou contrôlés? Les rapports des ecclésiastiques avec le pouvoir au XVIe siècle dans les Pays-Bas, in: Publication du Centre Européen d’Études Bourguignonnes (XIVe – XVIe s.) 38 (1998) 255.
J. Joosting, De begrenzing der wereldlijke en kerkelijke rechtspraken tegenover elkander, ’s- Gravenhage 1910 (Werken OVR, reeks 2, 11) III, 524, nr. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De oudste vorm van vorstelijke patronaatsrechten bestond uit de rechten, die de landsheren in de Nederlanden opbouwden, toen zij kerken en kloosters stichtten. Het patronaatsrecht ontstond, wanneer de heer of de graaf of de hertog als patroon het geld gaf, de kerk bouwde en de grond schonk. De leek kreeg toen als patroon het voorstellingsrecht. Johanna van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen, belandde in de Middeleeuwen op deze wijze zelfs in het Liber Extra.1 Anderzijds liet Filips II in 1587, toen het noorden niet meer zou terugkeren tot zijn ‘obediëntie’, lijsten opstellen van kerkelijke beneficies van zijn collatie in het zuiden. Dit overzicht laat nog steeds op zich wachten, maar in Henegouwen verleende Filips II tweeënzestig beneficies.2
In de periode van Karel V was op dit grondpatroon enige variatie aangebracht. Zo kende men het patronaatsrecht ‘pleno iure’, wat betekende dat de vorst zonder tussenkomst van de kerkelijke overheid een beneficiarius aanstelde.3 In welke mate er onder de verschillende landsheerlijkheden verschillen optraden in de verlening van beneficies is nu een belangrijke vraag. Het is namelijk bekend dat usurpaties niet ongebruikelijk waren.
Voorlopig moeten we het stellen met een anonieme klacht uit het bisdom Utrecht. Het betrof een voorbeeld uit de reeks van 111 klachten tegen wereldlijke vorsten. Hieruit bleek dat er leken waren, die beneficies, die niet tot een burcht of kasteel behoorden, ‘pleno iure’ verleenden zonder dat de bisschop een ondervraging (over de geschiktheid van een kandidaat) verrichtte en de institutie verleende.4
In dit werk staat ‘de vorst en het kerkelijk ambt’ boven ‘de Kerk en het ambt’. In deze omgekeerde wereld komt zo het panorama van de tekortkomingen in het onderzoek van de Nederlanden duidelijker tot uiting. Wat weten we over het relatieve belang van de paus in de verlening van beneficies in de Nederlanden en het Vrijgraafschap gedurende de regering van Karel V? Was de hiërarchie in zijn rijk als middel op het heil van de gelovigen gericht? Bijna even erg is een andere lacune. Kerkelijke instanties in de Nederlanden en het Vrijgraafschap beschikten van hun kant over de mogelijkheid om beneficies te verlenen. Hier lag de grootste verantwoordelijkheid bij de ‘ordinarius’. Deze was in de eerste instantie de bisschop, maar ook abten konden een belangrijke rol spelen in de bediening van vele parochies.
Over de manier, waarop de bisschoppen van Atrecht, Doornik, Kamerijk, Luik, Terwaan en Utrecht beneficies verleenden onder Karel V, zijn we slecht ingelicht. Door deze studie komt het gebrek aan goede informatie over de vorming en de aanstelling van de clerus in de Nederlanden schrijnend tot uiting in een periode, die van kapitaal belang was voor de geschiedenis van het christendom en van de staatsvorming. Door de lens te richten op de vele mogelijkheden, die de vorst ter beschikking stonden om beneficies te verlenen, komt ook de eis naar voren om niet te vergeten dat in sommige gebieden de stad of de dorpsgemeenschap over de mogelijkheid beschikte om beneficies te verlenen. Uiteindelijk moet deze mozaïek voor de Nederlanden en het Vrijgraafschap in kaart gebracht worden voor de periode van Karel V. Voortaan zal het nodig zijn om de verschillende mogelijkheden om beneficies te verlenen preciezer te determineren en om het relatieve belang van Kerk en Staat in de ambtsproblematiek duidelijker vast te leggen.