Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/4.2.2.1:4.2.2.1 De bewijsmaatstaf
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/4.2.2.1
4.2.2.1 De bewijsmaatstaf
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180210:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4, derde lid, Definitierichtlijn.
Reneman 2014, p. 185. Een te hoge bewijsstandaard zou leiden tot schending van het EU-rechtelijke effectiviteitsbeginsel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals ik al meerdere malen heb opgemerkt, is het in het asielrecht onmogelijk om met volledige zekerheid te bewijzen dat iemand behoefte heeft aan internationale bescherming. Ook de asielzoeker kan geen absolute zekerheid verschaffen aan de beslismedewerker en heeft per definitie een bewijsprobleem. De opstellers van het Vluchtelingenverdrag, van de Definitierichtlijn en de Nederlandse wetgever hebben met deze omstandigheid rekening gehouden. Beslismedewerkers moeten om die reden een beoordeling maken van de waarschijnlijkheid van vervolging of ernstige schade. Deze beoordeling moet op individuele basis worden gemaakt.1 Het waarschijnlijkheidscriterium voor vluchtelingschap is in dit verband een ‘gegronde vrees’ en ten aanzien van ernstige schade een ‘reëel risico’. Lidstaten van de EU zijn in beginsel vrij om eigen standaarden aan te leggen ten aanzien van de bewijsmaatstaf, zolang deze niet dermate hoog zijn, dat het voor de asielzoeker (nagenoeg) onmogelijk wordt daaraan te voldoen.2 De maatstaf die hiervoor in Nederland wordt gehanteerd is ‘aannemelijkheid’. Artikel 31, eerste lid Vw2000 schrijft voor dat een asielaanvraag wordt afgewezen als de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Hij moet dus aannemelijk maken dat zijn vrees voor vervolging gegrond is, dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De beoordeling van deze ‘aannemelijkheid’ ziet op twee aspecten. Ten eerste bestaat de aannemelijk uit de geloofwaardigheid van het asielrelaas waaruit vermoedens voortvloeien over wat de asielzoeker bij terugkeer te wachten staat en ten tweede uit de beoordeling of die vermoedens zwaarwegend genoeg zijn om voor internationale bescherming te kwalificeren. In paragraaf 2.3. van dit deel, waar ik nader inga op de verklaringen van de asielzoeker, beschrijf ik de wijze waarop medewerkers van de IND de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid moeten vaststellen en op de informatiebronnen die daarbij vooral worden gebruikt.