Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2.2
5.7.2.2 Schuld vaststellen na overlijden
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859289:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/5, p. 2-3 en Casman 2013, p. 13.
Casman 2013, p. 13 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 13-16.
Casman 2013, p. 14 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 14-15.
Casman 2013, p. 14 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 14-15.
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar par. 2.2.3.5.
Casman 2013, p. 14-16 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 25-26.
Vgl. ook De Vries & Leire TE 2022/03, p. 67.
Vgl. ook De Vries & Leire TE 2022/03, p. 67.
Zie hierover nader par. 5.7.1.2.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/2, p. 4.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15 en Casman 2013, p. 11. In andere literatuur wordt ook gesproken over een schuldigbevinding bij deze grond: Barbaix 2018, p. 429, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1164, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 17 en Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 13 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013).
Zie hierover par. 2.2.3.2, 2.3.4.3 en 2.4.5.3.
Artikel 4.6 § 1, 2° BBW verbindt consequenties aan strafbare feiten waar de strafrechter zich niet over heeft kunnen buigen. Dat heeft tijdens de parlementaire behandeling de nodige vragen opgeroepen.
De mogelijkheid om de schuld na het overlijden nog vast te stellen, is bij de invoering van deze nieuwe regel verantwoord met twee argumenten. Ten eerste wordt gewezen op het feit dat het niet uitzonderlijk is dat een civiele sanctie wordt uitgesproken wegens schending van de strafwet. Op andere terreinen komt dit ook voor. Ten tweede wordt aangehaald dat het evenmin uitzonderlijk is dat een civiele sanctie kan worden uitgesproken na het overlijden van de dader.1 Deze toelichting overtuigt verschillende leden van de Senaatscommissie voor Justitie onvoldoende. Zo wordt onder meer betwijfeld of de regel niet in strijd is met de strafrechtelijke onschuldpresumptie: een persoon is strafrechtelijk niet veroordeeld, maar wordt toch schuldig verklaard. Ook rijst de vraag wat er gebeurt als de dader geen zelfmoord pleegt, maar om een andere reden overlijdt.2 Andere commissieleden benadrukken hierop dat een schuldigverklaring na overlijden geen inbreuk maakt op het strafrechtelijke onschuldvermoeden, ongeacht de oorzaak of het tijdstip van dat overlijden. Het gaat om de civiele gevolgen. De civiele sanctie van onwaardigheid is weliswaar gekoppeld aan strafbare feiten vanwege de rechtszekerheid, maar de gevolgen zijn enkel civielrechtelijk. Er is geen sprake van strafrechtelijke vervolging na het overlijden.3
Casman, in haar hoedanigheid van deskundige voor de regering, heeft in haar tussenkomsten in het debat benadrukt dat de tekst van de bepaling er niet vanuit gaat dat de strafvordering kan worden voortgezet na het overlijden. Wel is het mogelijk dat een persoon die is overleden, en dus niet meer vervolgd kan worden, civielrechtelijk onwaardig wordt verklaard om te erven. Op deze manier wordt vermeden dat iemand erft, terwijl dit absoluut choquerend zou zijn, aldus Casman. Zij voegt daaraan toe dat het een civiele procedure betreft die enkel tot doel heeft het erfrecht te doen vervallen. Om een persoon onwaardig te verklaren, moet ter overtuiging van de rechter worden bewezen dat de betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd. Nu de strafrechter zich niet meer over de feiten kan uitspreken, moet de burgerlijke rechter dit doen.4 Om elke twijfel weg te nemen over de mogelijkheid om in een civiele bepaling, die de feiten die tot onwaardigheid leiden opsomt, te verwijzen naar strafrechtelijke artikelen, haalt Casman het arrest aan van de Roemeense erflater5 en concludeert dat de nieuwe regels naar Belgisch recht dus conform het oordeel zijn dat het EHRM in dit kader heeft geveld.6
Het arrest van de Roemeense erflater ziet op de situatie dat de dader kort na het plegen van de moorden zichzelf van het leven berooft. Artikel 4.6 § 1, 2° BBW is ruimer en beperkt zich niet tot het geval dat de dader zelfmoord pleegt. De doodsoorzaak maakt voor de toepassing van deze bepaling niet uit. Mijns inziens is dat terecht. In paragraaf 2.2.3.5 is geconcludeerd dat als vaststaat dat een erfrechtelijke verkrijger feiten heeft gepleegd die in het nationale recht tot onwaardigheid zouden leiden, maar deze onwaardigheid enkel en alleen zou worden ontlopen doordat een overlijden, om welke reden dan ook, een concrete veroordeling verhindert, de onwaardigheidsbepaling niet aan haar eigen doelstelling voldoet en er een disbalans is tussen het belang van rechtszekerheid en de belangen van de (toekomstige) erfgenamen van het slachtoffer.7 Het draait bij onwaardigheid om de onbetamelijke gedraging en daarbij is het irrelevant aan welke oorzaak de dader is overleden: ziekte, zelfdoding, een ongeluk of anderszins.8 De doodsoorzaak van de dader heeft geen invloed op de ernst van de gedraging en is vanuit de erflater bezien ook niet van betekenis.
Kortom, een schuldigverklaring door de civiele rechter na overlijden wordt toelaatbaar geacht, omdat onwaardigheid louter een civielrechtelijke sanctie betreft. De wet vordert een schuldigbevinding wat meebrengt dat onwaardigheid buiten beeld blijft als sprake is van een strafuitsluitingsgrond.9
Artikel 4.6 § 1, 2° BBW spreekt daarbij over het niet veroordeeld kunnen worden. In een amendement is de, naar mijn mening juistere, terminologie ‘schuldig is bevonden’ gehanteerd.10 Dit is uiteindelijk geen wettekst geworden. Bij de eerste onwaardigheidsgrond heeft de wetgever uiteengezet dat de term veroordeling te beperkt is. Dat geldt ook voor de tweede grond. De tweede onwaardigheidsgrond ziet, ondanks de tekst van de wet, eveneens op het ruimere begrip schuldigbevinding.11 Het was daarom juister en consistenter geweest het begrip ‘schuldig bevonden’ in de bepaling op te nemen. In Nederland bevat artikel 4:3 lid 1 BW eveneens de term veroordeling, hetgeen hier te lande ook te beperkend is. Hieronder moet in mijn optiek ook de strafbeschikking worden geschaard.12