Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/5.2.2.1
5.2.2.1 Omvang aandelenbezit
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456570:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 september 1976, BNB 1976/227, bevestigd in HR 9 december 1987, BNB 1988/38. Vgl. tevens Hof's-Gravenhage 14 januari 1966, BNB 1966/184 en HR 7 mei 1997, BNB 1997/234. Tot welke vreemde consequenties dit kan leiden wordt door J.E.A.M. van Dijck aangetoond in zijn: De aanmerkelijkbelangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 74, Fed, Deventer, 1995. Vgl. tevens T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 77, Kluwer, Deventer, 1994, alsmede F.E. Sprey, Aanmerkelijk belang I (1 september 1967 - 1 januari 1979) (II, slot), WPNR 1979/5490, blz. 524 e.v.
Dit werd ook reeds aangenomen onder de oude aanmerkelijkbelangregeling. Zie bijvoorbeeld Hof 's-Gravenhage 13 december 1977, BNB 1979/10 en HR 14 maart 1979, BNB 1979/153. Overigens is irrelevant of de ingekochte aandelen civielrechtelijk worden geamortiseerd. Aandelen die 'ter tijdelijke belegging' als bedoeld in HR 14 november 1956, BNB 1957/20 zijn verkregen, worden wel in aanmerking genomen. Zou dit immers niet geschieden, dan zou de mijns inziens ongewenste situatie ontstaan dat een aandeelhouder door de inkoop ter tijdelijke belegging van aandelen (van een andere aandeelhouder) aanmerkelijkbelanghouder zou worden en op het moment waarop de ingekochte aandelen weer opnieuw worden uitgegeven (aan een ander), ophouden aanmerkelijkbelanghouder te zijn. Zie tevens R.P.C. Cornelisse/A.J. van Soelen, Wetsontwerp herziening aanmerkelijk-belangregime, consumptieve rente en vermogensbelasting (II), blz. 2233, FED 1996/657 en H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.4.A,e, Gouda Quint, Deventer.
In zijn Besluit van 13 mei 1997, nr. DB97/1818, BNB 1997/249 keurt de staatssecretaris van Financiën onder voorwaarden goed dat tijdelijke overschrijdingen van de 5%-grens bij beursgenoteerde beleggingsinstellingen op verzoek niet tot toepassing van het aanmerkelijkbelangregime leiden. Zie tevens de redactie van Vakstudie Nieuws in haar aantekening onder genoemd besluit in V-N 1997, blz. 2107 e.v.
Hierbij dient het begrip 'jaarwinst' te worden opgevat overeenkomstig het winstbegrip in het jaarrekeningenrecht.
Zie tevens R.H. de Vries, Over technische wijzigingen, aflossingen om niet en andere vragen van aanmerkelijk belang, WFR 1998/6275, blz. 63 e.v. en R.P.C. Cornelisse/A.J. van Soelen, Herziening aanmerkelijkbelangregime; the continuing story, FED blz. 2921 e.v., 1997/776.
Het nieuwe percentage waarbij en waarboven men geacht wordt een aanmerkelijk belang te bezitten, bedraagt 5% en is aldus aanmerkelijk lager dan het tot 1 januari 1997 geldende dubbelcriterium van 33,33%, waarbij de belastingplichtige zelf (eventueel te zamen met zijn echtgenoot) meer dan 7% moest bezitten. Onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime is het eigen bezitsvereiste van meer dan 7% (al dan niet tezamen met de echtgenoot) vervallen. Dit betekent dat het onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime mogelijk is dat een aandeelhouder een aanmerkelijk belang bezit in een vennootschap, terwijl zijn eigen aandelenpakket in de desbetreffende vennootschap verwaarloosbaar klein is. Zelfs kan blijkens art. 20a, vijfde lid, Wet IB sprake zijn van een aanmerkelijk belang zonder dat de belastingplichtige ook maar één aandeel in de vennootschap bezit (zie onderdeel 5.4 hierna). Deze aanmerkelijke verlaging van het voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang kwalificerende percentage heeft dus tot gevolg gehad dat de groep aanmerkelijkbelanghouders met ingang van 1 januari 1997 fors is uitgebreid. Hierdoor is de reikwijdte van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' belangrijk vergroot ten koste van de bron 'inkomsten uit vermogen'.
Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling gold het nominaal gestorte kapitaal nog als grootheid op basis waarvan moest worden beoordeeld of al dan niet sprake was van een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Dit betekende dat ten aanzien van geplaatste, maar niet volgestorte aandelen voor de bepaling van de omvang van het aandelenpakket het op de aandelen gestorte bedrag in aanmerking kwam en niet het nominale bedrag van de geplaatste aandelen.1 Dit was weliswaar in overeenstemming met de (duidelijke) tekst van art. 39, derde lid, (oud) Wet IB dat sprak over het 'nominaal gestorte kapitaal', maar meestal niet met het reële belang bij de gevormde (winst)reserves van de vennootschap; met name zegt het niets over de stemverhoudingen in de vennootschap. Het nominaal gestorte kapitaal is eigenlijk dan ook ongeschikt om als relevante grootheid te dienen voor de beoordeling of al dan niet een aanmerkelijk belang in de vennootschap aanwezig is. Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is het nominaal gestorte kapitaal dan ook losgelaten en dient het geplaatste kapitaal van de vennootschap voortaan als grootheid waaraan wordt afgemeten of al dan niet sprake is van een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Ingevolge de laatste volzin van art. 20a, derde lid, Wet IB blijft hierbij het ingekochte maar nog in te trekken kapitaal buiten aanmerking.2 Voor de vraag of sprake is van een aanmerkelijk belang dient de belastingplichtige dus (al dan niet te zamen met zijn echtgenoot of samenwonende partner) voor ten minste 5% aandeelhouder te zijn in het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap.3
Aangezien met ingang van 1 januari 1997 ook een zelfstandig bezit van koopopties tot een aanmerkelijk belang kan leiden, diende de aanmerkelijkbelang-kwalificatie voor koopopties enigszins anders te worden omschreven. Een koopoptie geeft immers geen recht op het geplaatst aandelenkapitaal van de vennootschap. Daarom bepaalt art. 20a, derde lid, vijfde volzin, Wet IB dat een zelfstandig bezit van koopopties op aandelen pas tot een aanmerkelijk belang behoort als de koopoptie rechten geeft om (on)middellijk tot een omvang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een vennootschap aandelen daarin te verwerven.
Iets soortgelijks geldt voor de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen, zijnde winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen en aldus min of meer vergelijkbaar zijn met aandelen. Met ingang van 1 januari 1998 kan immers ook een zelfstandig bezit van niet-tijdelijke winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang leiden. Aangezien niet-tijdelijke winstbewijzen geen bepaald belang in het geplaatst aandelenkapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, moest een ander criterium worden bedacht. Dit is gevonden in een bepaald percentage van de jaarwinst van de vennootschap resp. hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd.4 Een zelfstandig (onmiddellijk) bezit van (niet-tijdelijke) winstbewijzen wordt tot het aanmerkelijk belang gerekend als die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van de vennootschap dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd (art. 20a, derde lid, zesde volzin, Wet IB).5
Bewijzen van deelgerechtigdheid van (open) fondsen voor gemene rekening als bedoeld in art. 2, tweede lid, Wet Vpb. kennen geen nominale waarde, zodat een bijzondere regeling noodzakelijk is om te bepalen of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een dergelijk fonds. Daartoe bepaalt art. 44a, vierde lid, Wet IB dat voor het bepalen van de mate waarin een belastingplichtige deelneemt in een fonds voor gemene rekening, zijn bezit aan bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds wordt uitgedrukt in het aantal der in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid. Hierbij wordt het aantal andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid herleid tot een daarmede overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen.