Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.2.1
8.2.1 Baten in de zin van artikel 2:23c lid 1 BW
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS392224:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Bakels bij HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 194, m.nt. Van Schilfgaarde.
Conclusie van A-G Timmerman bij HR 26 maart 2004, JOR 2004/127.
Rb. Midden-Nederland 11 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4479.
Hof ’s-Gravenhage 6 september 2012, LJN BX7085, r.o. 6.5. In paragraaf 7.2 heb ik reeds betoogd dat deze zienswijze niet juist is.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Gravenhage 6 september 2012, LJN BX7085, r.o. 3, waarin appelanten zich op het standpunt stellen dat latente belastingteruggaven dienen te worden aangemerkt als baten. Het Hof ’s-Gravenhage gaat niet verder in op dit standpunt. Zie ook Snijder-Kuiper, Groene Serie Rechtspersonen art. 2:23c BW, aant. 2, Deventer: Kluwer 2012, waarin wordt verwezen naar het hiervoor aangehaalde arrest alsmede naar HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579 m.nt. Maeijer (Adjuncten Properties/Söderqvist q.q.), waarin echter niets wordt overwogen noch gesteld met betrekking tot latente belastingteruggaven als baten.
Hof Amsterdam 19 maart 2013, zaaknummer 166884, HA ZA 03-1806.
Rb. Arnhem 11 januari 2006, JOR 2006/120.
De Bruijn 2004, p. 217 en Rb. Arnhem 26 juli 2006, JOR 2007/29, m.nt. De Jong.
Van der Korst 2009, onder 7.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2014, JBPR 2014/32, m.nt. Malcontent & Wiersma.
Volgens A-G Bakels dient aan ‘het bestaan van een bate’ in de zin van artikel 2:23c lid 1 BW een ruime uitleg gegeven te worden. Volgens hem moet aangenomen worden dat daarvan ook sprake is indien tijdens de afwikkeling van het faillissement de curator op de hoogte was van feiten en/of omstandigheden die mogelijk aanleiding gaven tot een vorderingsrecht, maar hij het op dat moment om praktische of andere redenen niet opportuun heeft geacht dienaangaande rechtsmaatregelen te treffen. Bovendien stelt Bakels dat het bij artikel 2:23c lid 1 BW gaat om een potentiële bate.1 A-G Timmerman is van mening dat aan het bestaan van een potentiële bate geen hoge eisen mogen worden gesteld. Volgens Timmerman is het voldoende dat het bestaan van een vorderingsrecht wordt gepretendeerd in een rechtsgeding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan.2 De rechtbank Midden-Nederland is daarentegen van mening dat sprake dient te zijn van een reële bate.3
Uit jurisprudentie en literatuur vloeit voort dat onder het begrip bate in artikel 2:23c lid 1 BW wordt verstaan: een mogelijk positief nominaal aandelenkapitaal,4 latente belastingteruggaven,5 een bankgarantie,6 een vordering uit hoofde van artikel 2:248 BW,7 de vernietiging van een paulianeuze rechtshandeling,8 een vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW en 9 een mogelijke toewijzing van een veroordeling in de proceskosten.10