Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.3.1.2
12.3.1.2 Inhoud
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Candel, Merckelbach & Wessel 2010, p. 484 en Mercelbach e.a. 2003, p. 214.
Witteveen 2012, p. 367.
In het kader van dit onderzoek is alle lagere jurisprudentie bestudeerd die is gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak en de Nieuwsbrief Strafrecht gerelateerd aan getuigenverklaringen. Er is tevens gezocht op rechtspraak.nl op de term betrouwbaarheid/ geloofwaardig in relatie tot getuigenverklaringen.
Rb Amsterdam 17 maart 2005, LJN AT0873 (samenvatting). Er wordt hier twee keer naar verwezen op rechtspraak.nl.
Dit zijn zaken behandeld onder de Wet Internationale Misdrijven (WIM).
Hof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, LJN BR0686, § 9.1-9.5, waarbij het aansluiting heeft gezocht bij het Hof ’s-Gravenhage 10 maart 2008, LJN BC6068, NJ 2008, 469 m.nt. N. Keijzer (Kouwenhoven), § 9.11.
Zie in dit verband ook Rb ’s-Gravenhage 1 maart 2013, LJN BZ4292 (Basebya), § 8 en de Rb ’s-Gravenhage 23 maart 2009, LJN BI2444, NJFS 2009, 178 (Joseph M.), § 46.
Als het gaat om de inhoud van de verklaring is er een aantal kwaliteiten waarop kan worden gelet: consistentie, accuratesse en volledigheid. In het zesde hoofdstuk is aan de orde gesteld dat voornoemde kenmerken geen harde indicatoren voor waarheidsgetrouwheid zijn. Met andere woorden, het feit dat een verklaring consistent is, betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze ook waarheidsgetrouw is. Datzelfde geldt voor accuratesse en volledigheid: een op onderdelen aantoonbaar accurate of volledige verklaring hoeft niet op alle onderdelen juist of volledig te zijn. Criteria om met zekerheid vast te stellen dat een getuigenverklaring overeenkomt met de werkelijkheid ontbreken. Niettemin kan een getuigenverklaring wel worden gefalsificeerd, bijvoorbeeld op het moment dat de verklaring op geen enkele wijze overeenkomt met de aangetroffen fysieke sporen of aan de hand van een reconstructie wordt vastgesteld dat de getuige hetgeen waarover hij verklaart eenvoudigweg niet kan hebben waargenomen.
Het feit dat harde indicatoren ontbreken, maakt de rechterlijke taak ten aanzien van de waardering er niet eenvoudiger op. In de literatuur is wel betoogd dat rechters (ten onrechte) erg de nadruk leggen op de mate van detail en de consistentie van de verklaring.1 Dit is ook het beeld dat naar voren komt wanneer gekeken wordt op rechtspraak.nl. Wanneer wordt gezocht op de gedetailleerdheid en consistentie van de verklaring als positief argument voor de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring in strafzaken dan levert dit vele treffers op. Daarbij dient echter opnieuw de kanttekening te worden gemaakt dat wat rechters opschrijven en daadwerkelijk laten meewegen in hun beslissing niet volledig overeen hoeft te komen.
Een ander aspect dat rechters betrekken in de toetsing van de inhoud van een getuigenverklaring, is de mate van overeenkomst met het overige aanwezige bewijsmateriaal. Indien de verklaring op wezenlijke onderdelen wordt ondersteund door het overige beschikbare bewijsmateriaal, dan is dat voor de rechter veelal aanleiding om de verklaring als ‘betrouwbaar’ aan te merken. Op het moment dat de verklaring uitsluitend wordt getoetst aan de hand van extern materiaal, maar niet op zichzelf wordt bekeken dan is de vraag hoeveel zelfstandige bewijswaarde nog toekomt aan de getuigenverklaring in de constructie als geheel. Tevens is het probleem dat de verklaring vaak kleuring geeft aan andere meer objectieve gegevens. Het feit dat een getuigenverklaring een plausibele verklaring biedt voor het aantreffen van bepaalde fysieke sporen, betekent vanzelfsprekend niet dat dit de enige of de juiste verklaring is. Als vervolgens de juistheid van de verklaring wordt vastgesteld aan de hand van die fysieke sporen, bestaat het risico van een cirkelredenering.
Fi … Fn zijn feiten die een verklaring behoeven.
Getuige H biedt een verklaring voor feiten Fi… Fn
De verklaring van getuige H is betrouwbaar omdat zij steun vindt in feiten Fi en Fn.
Indien de verklaring niet op zijn eigen merites wordt getoetst, dan is een reëel gevaar dat te veel waarde wordt gehecht aan de verklaring. Het is natuurlijk ook mogelijk dat er juist te weinig waarde aan wordt gehecht. Een verklaring wordt terzijde geschoven omdat deze een aantal zeer ongeloofwaardige elementen bevat, terwijl nader onderzoek zou uitwijzen dat de verklaring wel degelijk wordt ondersteund oor extern hard bewijsmateriaal.
Het ontbreken van een bewijsleer heeft tot gevolg dat rechters zijn genoodzaakt zelf het toetsingskader te bepalen als het gaat om de waardering van getuigenverklaringen. Witteveen constateert dat tot voor kort een grote terughoudendheid bestond bij strafrechters om in hun uitspraken de regels of uitgangspunten te formuleren die zij aanlegden ten behoeve van de vaststelling van de betrouwbaarheid.2 Dat is ook het beeld dat uit de bestudering van de jurisprudentie naar voren komt.3 De uitspraken waarin de rechter uitdrukkelijk aangeeft welke normen zijn aangelegd bij de beoordeling van de geloofwaardigheid (juridisch: de betrouwbaarheid) van de beschikbare getuigenverklaringen zijn relatief schaars. Een voorbeeld waarin de rechter het toetsingskader wel expliciteert, betreft de zaken met betrekking tot de Limburgse Nomads uit 2005 voor de Rechtbank Amsterdam. Hier komt men de volgende lijst van vragen tegen.
‘a. Zijn de verklaringen consistent? Daarmee wordt bedoeld dat vanaf het begin tot aan het einde steeds in overwegende mate hetzelfde is betoogd. Het mag niet zo zijn dat in verklaring 2 zus, in verklaring 7 zo, in de 13de dit en in de 18de dat is verklaard.
b. Zijn in de verklaringen tegenstrijdigheden te constateren? En zo ja gaat het hier om hoofd- dan wel om bijzaken? Als er zodanige verschillen zijn vast te stellen, heeft de getuige daar dan een bevredigende verklaring voor? Heeft hij zich vergist en heeft hij deze vergissing willen herstellen of zijn er andere factoren die de verschillen kunnen verklaren en zijn deze verklaringen dan aannemelijk?
c. Is de getuige op enig moment met nieuwe gegevens op de proppen gekomen? Zo ja waarom heeft hij niet van meet af aan open kaart gespeeld? Heeft hij een aannemelijke verklaring voor het feit dat hij niet vanaf het begin open is geweest?
d. Passen de verklaringen in overig bewijsmateriaal? Indien dat niet het geval is hoe kan de getuige dan verklaren dat zijn relaas afwijkt van andere bewijsmiddelen?
e. Maakt de getuige ter zitting een oprechte, betrouwbare indruk?’4
In zogeheten WIM-zaken5 wordt thans wel vrij uitvoerig weergegeven aan de hand van welke aandachtspunten getuigenverklaringen zijn getoetst. Het ‘toetsingskader’ dat hier wordt gebruikt, is het volgende.
‘1. toetsing aan andere objectieve, van elders verkregen informatie zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse;
2. de consistentie van de opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen;
3. de overeenstemming van die verklaringen(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;
4. de (op zichzelf minder ‘hard’ vast te stellen) plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen.’6
Deze criteria strekken ter toetsing van de inhoud. Er wordt tevens gekeken naar de persoon van de getuige en de totstandkoming van diens verklaring. Men kijkt in dit verband of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waardoor de geloofwaardigheid van de verklaring mogelijk is aangetast.7
Voorgaande wil niet zeggen dat de rechter in andere zaken geen criteria gebruikt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Dat doet hij wel, maar hij expliciteert meestal niet op voorhand welke criteria hij aanlegt. Wat opvalt in de hiervoorgenoemde rijtjes is dat de gedetailleerdheid niet terugkomt, terwijl dit bij de verwerping van betrouwbaarheidsverweren wel vaak als argument wordt genoemd voor de betrouwbaarheid.