Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.2.4
8.2.4 Deskundigenbericht is soms wel een aangewezen alternatief
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS373539:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 september 2002, NJ 2004, 18, r.o. 3.1.3(Uiterlinden/Van Zijp); vgl. ook D. Asser die in zijn annotatie onder HR 19 september 2003, NJ 2005, 454(Van Hulst/Van Eeuwijk) benadrukt dat het deskundigenbericht als onderzoeksmiddel naar onbekende feiten gebruikt kan worden.
Art. 196 lid 3 Rv.
Rb. Rotterdam 23 november 2005, LJN AU8563, r.o. 2.9 (X/Politieregio Rotterdam Rijnmond);Rb. Amsterdam 15 december 2005, LJN AU8214, r.o. 8 (BNP c.s./Yukos c.s.).
Rb. Utrecht 12 september 2007, LJN BB3722, r.o. 3.46 (OPG/Quigley c.s.).
EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, r.o. 33(Mantovanelli/Frankrijk).
HR 29 april 2005, NJ 2005, 456, r.o. 3.4(Greeve/Provincie Zuid-Holland).
Rb. Utrecht 12 september 2007, LJN BB3722, r.o. 3.46 (OPG/Quigley c.s.).
Rb. Amsterdam 19 april 2007, LJN BA3673(X c.s./Banque Artesia) over het opvragen van bescheiden die van belang kunnen zijn voor het thema van het deskundigenbericht.
HR 22 februari 2008, LJN BB5626, r.o. 3.6.3. (Fortis ASR Schadeverzekering/X).
HR 22 februari 2008, LJN BB5626, r.o. 3.6.5. (Fortis ASR Schadeverzekering/X).
Rb. Arnhem (vzr.) 26 juni 2009, LJN BJ4425, r.o. 4.5 (Allianz/X).
Rb. Utrecht 21 oktober 2009, LJN BK2302, r.o. 4.4. (X/Allianz).
Rb. Utrecht 27 augustus 2008, LJN BE9204, r.o. 2.4 e.v. (X/Fortis ASR).
Ekelmans 2007b, p. 29-37.
Christiaan & Hengeveld 2008, p. 55-56.
Ch.van Dijk 2008, p. 4-9; Ch. van Dijk in annotatie onder Rb. Arnhem (vzr.) 26 juni 2009, JA 2009, 146 (Allianz/X).
A. Wilken in annotatie onder Rb. Utrecht 27 augustus 2008, JA 2008, 169 (X/Fortis ASR).
Wilken, Akkermans & Legemaate 2010, p. 28-29.
Bij de afweging of deskundigenbericht de voorkeur verdient boven het verstrekken van bescheiden, spelen andere factoren dan bij de afweging tussen getuigenbewijs en exhibitieplicht. Het deskundigenbericht kan immers ook gebruikt worden om een deskundige onderzoek te laten verrichten1 én biedt tevens de mogelijkheid om een oordeel te krijgen op een gebied, waar de rechter zich naar verwachting onvoldoende bekwaam zal voelen om zich zelfstandig een oordeel te vormen. De deskundige kan daarbij bovendien onderzoek doen, waardoor het deskundigenbericht als onderzoeksmiddel sterker kan zijn dan het getuigenverhoor, waarbij de getuige niet zelf onderzoek hoeft te doen én de getuige verklaart uit eigen wetenschap en derhalve in principe niet als deskundige.
Het deskundigenbericht biedt de deskundige de mogelijkheid om bescheiden van een procespartij op te vragen. Partijen bij een deskundigenbericht zijn verplicht om aan de totstandkoming van het deskundigenbericht mede te werken.2 Indien een deskundige van hen verlangt dat zij bescheiden verstrekken, zijn zij derhalve in beginsel gehouden om aan dit verzoek gevolg te geven. Dat is slechts anders, indien de partij die bezwaar heeft tegen verstrekking zich beroept op een gewichtige reden. Die gewichtige reden zal dan door de rechter getoetst moeten worden.3 Voor de hand ligt dat de rechter bij deze toetsing aansluiting zoekt bij de weige-ringsgronden van art. 843a Rv.
Ook een deskundigenbericht zal evenwel - net zoals een getuigenverhoor -in de regel tijdrovend zijn en kostbaarder dan het verstrekken van bescheiden, zodat er goede gronden zijn om aan verstrekking van bescheiden de voorkeur te geven boven deskundigenbericht.4 Die gronden zijn er des te sterker, indien een deskun-digenbericht er niet toe behoeft te leiden dat gevraagde bescheiden in handen komen van de partij die daarom heeft verzocht.
Of door de deskundige ontvangen bescheiden ook aan de procespartijen verstrekt moeten worden, was aanvankelijk onzeker. Aanvankelijk gold immers dat partijen volgens het EHRM niet zonder meer aanspraak hebben op bescheiden waarover een deskundige de beschikking krijgt. Partijen hebben immers niet in het algemeen het recht om documenten, waarvan deskundigen zich bedienen, in te zien.5 Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in 2005 uitgemaakt dat de deskundige niet zonder meer verplicht is om (afschriften van) door hem geraadpleegde stukken aan zijn rapport te hechten, terwijl deze stukken evenmin in het geding gebracht behoeven te zijn.6 Bij die rechtspraak pastte dat rechters meenden dat een mogelijk7of lopend8 deskundigenbericht niet in de weg stond aan vorderingen tot verstrekking van bescheiden: te ongewis was immers, of een deskundigenbericht tot verstrekking van bescheiden zou leiden.
Nog geen drie jaar na zijn arrest van 2005 heeft de Hoge Raad strengere eisen gesteld dan het EHRM en uitgemaakt, dat bescheiden die door een partij aan een deskundige worden verstrekt, gelijktijdig aan de wederpartij verstrekt moeten worden. Dat is slechts anders bij medische bescheiden: die dienen pas verstrekt te worden nadat geen gebruik is gemaakt van beroep op blokkeringsrecht, zij het dat ook dan verstrekking geweigerd kan worden met een door de rechter te toetsen beroep op een gewichtige reden.9 Dit oordeel van de Hoge Raad biedt meer zekerheid dat bescheiden via een deskundigenbericht beschikbaar komen en daarmee ook meer mogelijkheden om een voorlopig deskundigenbericht voorrang te geven boven een vordering tot verstrekking van bescheiden, ook omdat de Hoge Raad tevens heeft uitgemaakt, dat na afloop van de voorlopige bewijsverrichting desgeraden en waar mogelijk art. 843a Rv toepassing kan vinden.10
In diezelfde uitspraak heeft de Hoge Raad uitgemaakt, dat bij een verzoek tot houden van een voorlopig deskundigenbericht niet tevens om verstrekking van bescheiden kan worden gevraagd. Bij deze rechtspraak past, dat een in kort ge-ding11 of een incident12 de vordering tot verstrekking van bescheiden werd afgewezen, omdat reeds een verzoek tot houden van een voorlopig deskundigen-bericht was ingediend. Bij deze rechtspraak past ook dat in een incident geen aanspraak bestond op medische, arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige gegevens over vele jaren, omdat eerst tijdens een comparitie kon worden besproken wat nodig was en informatie vervolgens via een deskundigenbericht beschikbaar zou kunnen komen.13
In de praktijk en dus ook in de personenschadepraktijk worden de meeste geschillen buitengerechtelijk opgelost. In de personenschadepraktijk is daarbij gebruikelijk dat de medisch adviseurs van de benadeelde en de aangesproken partij of diens verzekeraar ook medische informatie uitwisselen. Wordt gevraagde informatie naar het oordeel van de aansprakelijk gestelde partij ten onrechte niet verstrekt, dan kan behoefte bestaan om die informatie op te eisen en rijst de vraag, of de voorgaande uitspraken met zich brengen dat dat slechts kan door middel van een deskundigenbericht. Zo'n ontwikkeling zou ongelukkig zijn, omdat zo'n deskundigenbericht lang niet altijd nodig behoeft te zijn voor de oordeelsvorming: het moeten openbaren van de werkelijkheid door het verstrekken van bescheiden kan een oplossing immers vlot(ter) nabij brengen.
Vóór het verschijnen van het arrest van de Hoge Raad heb ik daarom bepleit dat de weg van art. 843a Rv moet openstaan voor het opvragen van bescheiden.14 Dat is na het verschijnen van het arrest ook gedaan door Christiaans en Henge-veld,15 Van Dijk16 en Wilken17 die op vergelijkbare gronden bepleit dat partijen niet nodeloos genoodzaakt moeten worden om naar een vertragend en meer kostbaarder deskundigenbericht uit te wijken. Ook in de publicatie "Medisch beoordelingstraject bij letselschade" van het samenwerkingsverband Gezondheid en recht van de Vrije Universiteit en het VU medisch centrum wordt het standpunt ingenomen, dat het onwenselijk is dat in veel meer letselschadezaken dan thans een deskundigenbericht noodzakelijk wordt: waar een belastend, kostbaar en tijdrovend deskundigenbericht niet absoluut noodzakelijk is, dient het inwinnen daarvan zo veel mogelijk te worden voorkomen.18 Wat mij betreft is het uitwijken naar een deskundigenbericht dan ook pas op zijn plaats, wanneer hoe dan ook verwacht moet worden, dat een deskundigenbericht zal plaatsvinden, maar is dat niet aansprekend, wanneer die verwachting niet gewettigd is of er een reële mogelijkheid is, dat verstrekking van gegevens een deskundigenbericht overbodig kan maken.